De ideale wereld volgens Constant

Foto boven: Constant: ‘Klein Labyr Beo-1989-0006’. Foto boven Ton Haartsen /Gemeentemuseum Den Haag. Foto onder Peter Tijhuis /Cobra Museum voor Moderne Kunst

Aan één typering kon Constant zich mateloos storen: als mensen zijn bouwproject New Babylon utopisch noemden. Oké, het realiseren van zijn toekomstdroom zou lastig zijn. Mensen moesten afscheid nemen van hun auto’s, grondbezitters zouden protesteren als die stad zich over bijvoorbeeld de Randstad zou uitspreiden. Lastig, niet onmogelijk. Niet voor niets tekende Constant Nieuwenhuys (1920-2005) achttien jaar aan deze ideale wereld, waar mensen geen bezit hebben en ruimte delen.

Stel je het mythische Babylon met zijn hangende tuinen voor, maar dan in het ruimtetijdperk: op grids, plastic, staal, daken als ellipsen op stalen poten, duizelingwekkende wielen en labyrintische ladders. Constant voorspelde dat arbeid geautomatiseerd zou worden, dat kon op grondniveau, zodat mensen daarboven in steden op palen in alle vrijheid konden samenleven, genieten, rondtrekken. Dus noem het niet utopisch. Dan degradeer je het plan tot conceptueel kunstwerk, en is het kansloos.

Als u denkt, Constant, dat was toch een Cobraschilder? Klopt. Cobra bestond van 1948 tot 1951, in 1956 begon hij het ambitieuze New Babylon. Waar Cobra vooral lang geleden lijkt, zie je de babylonische maquettes vaak nog op allerlei tentoonstellingen: dit wereldbeeld spreekt nog steeds aan. Met twee zulke kunsthistorische hoofdstukken op zijn naam biedt Constant genoeg voer voor twee grote zomertentoonstellingen: het Haags Gemeentemuseum belicht New Babylon, het Cobramuseum de weg vanaf Cobra daarheen.

Allesbepalend hierin was de herinnering aan de oorlog. Cobra ging over de hervonden vrijheid. Constant schilderde dieren, vreugde, expressie, maar ook oorlogsleed. Die kunst vol extremen had een boodschap: de wereld moest beter. In 1949 verbleef hij bij mede-Cobra-oprichter Asger Jorn, waar zijn vrouw hem onverwacht voor Jorn verliet, hun dochtertjes meenam, hem met hun zoon achterlatend. Hij ging naar Parijs maar in het atelier dat Corneille en Appel met hem wilden delen, zonder sanitaire voorzieningen, kon hij zijn zoontje van vijf niet laten opgroeien.

Constant wilde zelf niet wonen in zijn Babylon

Constant sloeg nieuwe paden in, Cobra viel uiteen, op expressionistische kleurvlakken volgden geometrische abstracties. Als Cobraschilder spuwde hij op Mondriaan en nu ontwierp hij een kleurenschema voor Gerrit Rietveld in, let op, rood, geel, blauw. Hij wilde ingrijpen in het echte leven en ontwierp meubels en stoffen, vervolgens ruimtelijke constructies, uitmondend in de babylonische wereldbeelden.

Die reis laat het Cobra Museum zien, en ook het Gemeentemuseum wel – met iets te veel dubbelingen. Maar een pre zijn de reconstructies van door Constant ontworpen ruimtes: gekleurde kamers voor Rietveld en voor Aldo van Eyck, zwarte ruimtes waar zijn draadsculpturen als ruimteschepen in lijken te zweven, een wiebelige Ludieke trap in het Gemeentemuseum en een Deurenlabyrinth. Dat doolhof van deuren lijkt een uitnodiging om te spelen en dwalen (muren zijn ook maar beperkend), ook kun je er een symbool in zien voor de chaos die nodig zal zijn om New Babylon te realiseren.

Natuurlijk mag je het ludiek vinden, dat is het, maar kijk ook goed hoe juist een schilder zo radicaal bouwkundig kon ontwerpen. Constant dacht in kleur en ruimte. Niet bouwtechnisch. Zijn maquettes – als je ze zo kunt noemen – hebben soms geen vloeren, lijken opstijgende machines, draaiende wielen, waar geen functionalisme of zwaartekracht bestaat.

Ook dat kwam door de erfenis van de oorlog. Kunstenaars als Constant zagen met lede ogen aan hoe grijs en eentonig de wederopbouwsteden werden en wie beter dan een ex-Cobraschilder kon tegenwicht bieden? Hij tekende alvast bestaande stadsplattegronden in, maar, gaf toe zelf geen babyloniër te zijn. Hij zou er niet kunnen wonen. Dit was voor een andere, toekomstige generatie.

Dat is natuurlijk een probleem. Kunst kan visioenen oproepen, maar hoe breng je ze in de praktijk? Die frictie zorgt voor een pijn die je in beide tentoonstellingen lijkt te voelen. Misschien zag Constant het anders, maar hoe gedetailleerder en realiseerbaarder zijn maquettes werden, hoe harder en grijzer hun bouwstijl. Het zijn bijna boorplatforms. Was dat echt een ideale stad?

Dat doet helaas die andere babylonische vergelijking oproepen: van de Bijbelse toren, met hoogmoed en spraakverwarring, die instortte. Dat is geen reden om het werk als utopisch weg te zetten. Juist nu er een netwerksamenleving bestaat zou Constants grenzeloze wereld gastvrij kunnen zijn voor vluchtelingen en voor ieder ander. Als de mensheid zo ver is: de bouwtekeningen liggen klaar.