Americana met een edge

Interview Daniel Romano Op zijn vijfde album ‘Mosey’ neemt de Canadese zanger Daniel Romano afscheid van country. Met zijn droge, lage stem roept hij echo’s op van Leonard Cohen en Bob Dylan.

foto Vanessa Heins

‘Mono’ is het enige woord op de voorkant van de hoes van Mosey, het vijfde album van Daniel Romano. De Canadese zanger is vergeten waarom hij en producer Kenny Meehan de muziek niet gewoon in stereo uitgebracht hebben. Of ja, na enig aandringen herinnert hij het zich. „We waren de volgorde van de liedjes aan het bepalen aan de hand van een snel gemaakte monomix. Door een foutje hoorden we één song tussendoor in stereo. Dat klonk veel slechter, veel minder gefocust op de essentie van de songs. Dus is het mono geworden.”

Er klinkt een snuivende lach aan de Canadese kant van de telefoonlijn. „Mono verhoogt de gelijkheid onder de luisteraars. Het klinkt voor iedereen hetzelfde.”

Romano (30) maakt americana met een edge. Vier albums bracht hij uit met beheerste, ouderwets klinkende countrymuziek. Liefhebbers spraken van de reïncarnatie van Gram Parsons. Zijn maffe snor en kermisachtige uitdossing op het derde, Come Cry With Me, lieten een zweem van ironie doorschemeren. Zelfs toen Romano zich op zijn voorlaatste plaat If I’ve Only One Time Askin’ liet afbeelden als een beat poet in de beste traditie van Jack Kerouac en Tom Waits, bracht hij prachtig authentieke countrymuziek. Maar nu niet meer.

Mosey is een uitdagend album dat teruggrijpt en vooruitkijkt. Met zijn droge, lage stem roept Daniel Romano echo’s op van Lee Hazlewood, Leonard Cohen, Bob Dylan en Serge Gainsbourg. Wulpse, zomaar uit de lucht vallende instrumentale intermezzo’s doen denken aan Gainsbourgs rijk georkestreerde Histoire de Melodie Nelson en aan de spaghettiwesternmuziek van Ennio Morricone. De songs gaan over dromen en verlangens, euforie en spijt. Opgeteld is Mosey een album dat zoveel tegenstrijdige stemmingen en sferen oproept dat die weelderige overdaad een thema op zich is geworden. Het is een plaat die meteen lekker in het gehoor ligt maar zijn geheimen pas na vele malen draaien prijs geeft. Of misschien wel helemaal niet, als het aan Daniel Romano ligt.

„Ik probeer niemand te imiteren”, verdedigt hij zich. „Ik hou intens van al die zangers die je noemt. Dylan, Hazlewood en Gainsbourg zijn mijn helden. Het nummer ‘Sorrow’ is een ode aan Leonard Cohen, met een duidelijke verwijzing naar zijn lied ‘First We Take Manhattan’. Bob Dylan is een artiest waar je niet omheen kunt, omdat hij de grootste singer/songwriter aller tijden is. Mijn nummers ‘Dead Medium’ en ‘(Gone Is) All But a Quarry of Stone’ zijn gebaseerd op gedichten die ik schreef voordat er muziek bij zat. Het ritme van de tekst op het papier dicteert de timing van de zangmelodie. Als dat dylanesk is, kan ik het ook niet helpen. Wat mij vooral aanspreekt, is de manier waarop hij agressie, frustratie en niet begrepen worden in muziek kon omzetten. Zijn invloed is overal en het is geen schande om met hem vergeleken te worden.”

Lanterfanten

‘To mosey’ betekent lanterfanten, relaxt bewegen zonder doel. Romano benadrukt dat er niet te veel waarde gehecht moet worden aan de letterlijke betekenis van zijn albumtitel. „Mijn muziek is geen product van luiheid, integendeel. De songs en vooral de orkestrale arrangementen zijn door monnikenwerk tot stand gekomen. Maar ik denk dat de mensheid erop vooruit zou gaan als iedereen eens wat relaxter door het leven zou gaan. ‘Mosey’ is een woord dat ik me heb toegeëigend als een soort handelsmerk. Ik heb me nooit thuis gevoeld bij welke muzikale stroming dan ook, al word ik constant vereenzelvigd met country en americana. Dus verzon ik mijn eigen genre, met een woord dat in dit verband niets anders betekent dan Daniel Romanomuziek.”

Rootsmuziek, nog zo’n genre waar hij tegen wil en dank mee geconfronteerd wordt. „Natuurlijk heb ik wortels, zoals elke muzikant. Maar ik ben beslist geen purist. Of erger nog, iemand die een revival van iets van vroeger wil bewerkstelligen. Als Canadees heb ik het perspectief van een buitenstaander op de Amerikaanse rootsmuziek. Mijn ouders waren folkmuzikanten en ik groeide op in een huis vol Engelse en Ierse folk. Mijn vader had alle platen van Ry Cooder en de radio stond altijd op een pop- of een countrystation. Als ik met een pistool op mijn hoofd moest vertellen waar mijn roots liggen, dan zou ik zeggen dat ze puur Canadees zijn.”

In mijn hart ben ik een punkrocker

Inspiratie vindt hij overal en in praktisch elk nummer verplaatst hij zich in een ander personage. De louche protagonist van het Gainsbourg-achtige ‘Toulouse’ is een ander dan de melancholicus van ‘One Hundred Regrets Avenue’ of de romanticus van ‘I Had To Hide Your Poem In a Song’. De overeenkomst tussen al zijn hoofdpersonen is dat ze op dit album allemaal boos zijn, vertelt Romano. „Mijn nummers zijn niet per definitie autobiografisch. Ik gun mezelf de vrijheid om voor elk lied een andere setting en andere acteurs te kiezen, die ik vervolgens van alles laat meemaken. De boosheid van al die types komt voort uit het feit dat ik zelf niet de meest vrolijke periode van mijn leven doormaak. De toestand in de wereld leent zich niet voor blije liedjes. Oorlog, milieu, armoede, ongelijkheid, het zijn dingen die een mens niet onberoerd laten. Ik ben geen protestzanger. Liever laat ik de personen in mijn teksten dingen beleven die mijn gemoedstoestand weerspiegelen. Het mooie is dat je een sombere tekst in een opgeruimde melodie kunt verpakken. Anders zou het een deprimerende ervaring worden om naar mijn albums te luisteren, en dat is het laatste wat ik wil.”

De opnamestudio is Romano’s tweede thuis en, bij het voltooien van een doorwrocht album als Mosey, de enige plek waar hij zich werkelijk in zijn element voelt. Tournees beschouwt hij als een noodzakelijk kwaad. „Ken je de film Groundhog Day? Zo voelt het om op tour te zijn. Elke dag word ik wakker en begint het schema van de vorige dag weer helemaal opnieuw. In Amerika vinden zaalhouders het meestal niet nodig om een artiest een kleedkamer te bieden, om nog maar te zwijgen van eten of drinken. Omkleden doe je in het bezemhok en na een paar weken protesteert je lichaam tegen alle fastfood die je tot je hebt genomen. In Europa is dat gelukkig allemaal wat beter geregeld. Jullie respecteren een artiest en jullie begrijpen dat je een beter concert krijgt als muzikanten zich in een rustige omgeving kunnen voorbereiden. Een vlam kan niet branden zonder brandstof.”

In zijn hart is hij een punkrocker, zegt Romano. Na een veelomvattend project als het orkestrale en caleidoscopische Mosey houdt hij ervan om achter een drumstel te gaan zitten en er gewoon lekker op los te meppen. Op die manier kwam zijn schaduwproject Ancient Shapes tot stand; een imaginaire powerpopband die alleen uit hemzelf bestaat en die in drie dagen een heel album met ultrakorte rocksongs bij elkaar speelde. Het Ancient Shapes-album zit als bonus bij de vinylversie van Mosey en laat een lichtere, rockende versie van Romano horen. „Bij alle muziek die ik maak, zoek ik naar de opwinding van spontane invallen. Soms werk ik die heel zorgvuldig uit en soms knal ik ze zó op de plaat, met alle scherpe kantjes er nog aan. Aan alle mensen die mij zo graag in de traditionele hoek willen drukken heb ik één boodschap: Daniel Romano is de ultieme indie-artiest. Ik doe zoveel mogelijk zelf.”