Alleen zaadeters overleefden de klap

Uitsterven Na de catastrofe van 66 miljoen jaar geleden redde plantenzaad de zaadetende dino’s met snavels: de vogels.

Inslag van een planetoïde in het huidige Mexico, 66 miljoen jaar geleden. De inslag sloeg een krater met een diameter van 200 kilometer. Tegelijkertijd was er hevig vulkanisme in India. Beeld Science Photo Library / ANP

Tand of snavel maakte 66 miljoen jaar geleden het verschil tussen overleven of uitsterven. Vogels met snavels overleefden de rampspoed aan het einde van het Krijt. Zij konden zaden eten die diep in de bodem zaten. Maar vogelachtige dino’s met tanden die vlees of planten aten, konden geen voedsel meer vinden en stierven uit. Dat schreven drie Canadese paleontologen vorige week maandag in Current Biology.

Het leven kreeg een flinke klap, 66 miljoen jaar geleden. Allereerst sloeg er een enorme planetoïde in bij Chicxulub, in het huidige Mexico. Ongeveer tegelijkertijd had de aarde te lijden onder een serie van hevige vulkanische uitbarstingen in India.

Een wereldwijde roetlaag wijst erop dat er in de eerste uren en dagen na de inslag over de hele wereld bosbranden woedden. Puin dat tot buiten de dampkring was geslingerd, ontvlamde bij terugkeer in de atmosfeer en zette bossen in lichterlaaie.

Na het vuur kwam de duisternis. Een verstikkende deken van gruis blokkeerde maandenlang het zonlicht. Planten die de eerste vuurzee hadden overleefd, kwijnden weg. Met het verdwijnen van planten viel het voedselweb uit elkaar. Planteneters stierven als eerste uit, de aas- en vleeseters volgden in hun kielzog. Volgens schattingen stierf 80 tot 90 procent van het leven op land uit.

De enige voedselvoorraad die min of meer intact bleef, was de zaadbank. De zaadbank is de zaadvoorraad diep in de grond. Deze zaden zijn pas toegankelijk na een bosbrand of als de grond wordt omgewoeld. Ook vandaag nog zijn zaadetende vogels de eerste dieren die een afgebrand bos weer bevolken. Ecologen schatten dat zaadbanken zo’n vijftig jaar levensvatbaar blijven.

Die zaadbanken hebben vogels gered, vermoeden de Canadese paleontologen. Zij bestudeerden meer dan 3.100 fossiele tanden van Noord-Amerikaanse maniraptora, of ‘handrovers’. Dat is de familie van gevederde, vogelachtige dino’s waartoe ook vogels behoren. Het fijne van tanden is dat er meer van bewaard blijven dan botten én dat ze verraden welk dieet de eigenaar had.

Het ging vogelachtige dino’s lange tijd voor de wind, concludeert het Canadese trio uit de tandenverzameling. In de 18 miljoen jaar vóór de klap bestond er een enorme diversiteit. Er waren rennende vleeseters, zoals Velociraptor. Er waren duikende viseters met tanden. En er waren klimmende insecteneters.

Maar ná de inslag van de planetoïde stierven al deze takken uit. Alleen de voorouders van moderne vogels overleefden. Deze voorouders deelden twee eigenschappen die hun overlevingskansen vergrootten: ze waren klein én ze hadden een tandenloze snavel van keratine, om zaden mee te eten. In China zijn prachtige fossielen van vroege vogels gevonden met zaden in hun maag.

Vroege vogels mét tanden, zoals de visetende Hesperornis en Ichthyornis, hadden een dieet van vlees. Zij stierven samen met de andere dinosauriërs uit.

Ook uit een stamboomanalyse van moderne vogels blijkt dat hun gemeenschappelijke voorouder waarschijnlijk een zaadeter was. Pas ná het grote uitsterven leerden sommige vogels weer vlees te eten, zoals de voorouders van uilen, gieren en andere roofvogels.