Tijdens de Arabische Lente dacht niemand aan IS

Thomas von der Dunk pakt de NRC-bijlage uit mei 2011 over de Arabische Lente er nog eens bij. „Het Westen is voor het Midden-Oosten nóg minder een inspirerend voorbeeld gebleken dan de ergste pessimisten toen vreesden.”

‘Bewaarbijlage’ stond erop, in de rechterbovenhoek van de NRC-bijlage ‘Arabisch ontwaken’, gevoegd bij de krant van 13 mei 2011. Ik heb hem dus keurig bewaard. Nu, vijf jaar na dato, heb ik hem tevoorschijn gehaald. Zo’n terugblik op de kijk van toen met de kennis van nu is vaak zinvol, omdat zowel het tijdgebondene als het duurzaam houdbare van bepaalde analyses duidelijk wordt.

Wat zijn de constanten en de variabelen in de oorzaken van een succesvol Arabisch ontwaken – waarbij we met 'succesvol' uiteraard meten naar Westerse, democratische maatstaven. Immers, voor veel auteurs vormen deze toch het impliciete referentiekader.

De meeste artikelen zijn vijf jaar later opvallend relevant. De Arabische geïnterviewden zijn optimistischer dan de auteurs, wier betoog laveert tussen welwillende hoop en veel scepsis. Van de geïnterviewden zijn alleen de Tunesische jongeren ronduit pessimistisch – nota bene degenen met wie het allemaal begon. Hassan Bahara signaleert in zijn artikel ‘Nog regeert zelfhaat de jongens van Sidi Bouazid’ vergaande apathie bij hen: een dictator verdrijven betekent niet direct een einde aan de economische uitzichtloosheid.

Dat is inderdaad de politieke achilleshiel van de huidige democratische Tunesische regering gebleken, zeker na de diverse terroristische aanslagen in Tunesische badplaatsen, waarvan men in 2011 nog geen weet kon hebben. Die aanslagen hebben de belabberde economische situatie verergerd; toeristen immers, zijn de eersten die in geval van onrust wegblijven.

De economische uitzichtloosheid, die dus al in 2011, voor de Tunesische revolutie, werd gesignaleerd, dreigt inderdaad als een grote schaduw boven alle moderniseringspogingen in het Midden-Oosten te blijven hangen. Ze markeert bovendien de vrij hopeloze vertrekpositie van elke regering die straks wellicht democratisch aan de macht komt. In Tunesië roepen ze al weer vaker om een sterke man; in Egypte is zo’n man inmiddels teruggekeerd – zonder iets aan de kern van het probleem te hebben gedaan.

Ook de constatering van Carolien Roelants, dat de gematigde monarchieën op iets meer gezag bij de eigen bevolking stoelen, houdt tot op heden stand. (De tweeslachtige positie van Mohammed VI van Marokko tussen traditie en moderniteit komt onder de treffende titel ‘Koning is cool en heilig’ bij Yasmina Aboutaleb aan bod.)

En ook Roelants’ analyse van de Saoedische machthebbers is houdbaar gebleken: zij pogen nog altijd elke verandering in de regio tegen te houden, uit angst dat de democratische vonk overslaat naar eigen land. Al citeert Roelants in de bijlage wel een Saoedische zakenman die zegt dat het ‘sociale contract’ tussen heersers en onderdanen (politieke macht voor de eersten in ruil voor economisch welzijn voor de tweeden) echt op z’n eind loopt.

Dat sociale contract staat nu weliswaar onder druk, maar dat is niet omdat de democratische golf is overgeslagen, maar wel omdat de instortende olieprijs de Saoedi’s dwingt naar een nieuw nationaal verdienmo del te zoeken. Dat de olieprijs is ingestort, hangt samen met de nieuwe energiekoers van Obama (minder afhankelijkheid van olie) en met de opheffing van de sancties tegen Iran.

Dat land speelt in het hele katern opvallend genoeg geen rol, alsof het niet relevant werd geacht. Het door het Westen opgelegde isolement werd als duurzaam beschouwd. Een blinde vlek, die suggereert dat we in de toekomst toch minder makkelijk van vaste kampen moeten uitgaan.

In Tunesië roepen ze alweer om een sterke man

De kwestie Iran laat zien hoe onverwachtse ontwikkelingen van buitenaf plots in onveranderlijk geachte verhoudingen kunnen ingrijpen. Want dat is een van de belangrijkste conclusies, als men, met de NRC-bijlage van toen in de hand, de blik van toen met de blik van nu vergelijkt: het Arabische ontwaken werd nog als een vrij autonoom proces benaderd. De geopolitieke context, die inmiddels vooral in Syrië van grote invloed is gebleken, ontbreekt, alsof al die gebeurtenissen zich in een mondiaal vacuüm afspelen.

Over Rusland wordt met geen woord gerept. Terwijl de rol die Poetin sinds 2011 zo nadrukkelijk opeist in het Midden-Oosten, ook in reactie op de toen nog in de toekomst liggende pro-Westerse ontwikkelingen in Oekraïne, juist een doorslaggevende factor is gebleken voor Syrië. Zoals ook Turkije’s toenemende assertiviteit, in samenhang met het groeiende autoritaire karakter van Erdogan een ‘spelbederver’ bij de interne ontwikkelingen is gebleken.

Daaruit moeten we niet alleen lering trekken als het gaat om de onvoorspelbaarheid van internationale ontwikkelingen, maar ook als we de onbewuste aanname doen, zoals die uit diverse artikelen in de bijlage spreekt, dat het Westen de enige externe factor van betekenis vormt.

Rusland lag toen, in de westerse perceptie die nog steeds teerde op het uit 1989 stammende ‘Koude Oorlogs-overwinningsgevoel’, op z’n gat. En China was geopolitiek nog niet echt in zicht. Dat verklaart waarom het Westen zelf de natuurlijke meetlat vormde, waarlangs de gebeurtenissen als ‘in de pas met de geschiedenis’ of ‘haaks op de geschiedenis’ werden geïnterpreteerd.

Dat zouden we vandaag niet meer doen. Integendeel, het Europese zelfvertrouwen is danig verzwakt, na de Europese crises die inmiddels de samenhang in de EU bedreigen. In dat opzicht is de Westerse natiestaat met de democratische en juridische instituties, die voor interne stabiliteit en draagkracht bij de eigen bevolking zorgen, voor het Midden-Oosten nóg minder een inspirerend voorbeeld gebleken dan de ergste pessimisten toen vreesden.

Twee oorzaken daarvan komen wel al in de NRC-bijlage van 2011 aan bod: het religieuze sectarisme (in een artikel over over Egypte door Gert van Langendonck) en het Arabische tribalisme (in een historische beschouwing van de regio vanaf de dagen van Mohammed door Dirk Vlasblom). ‘Stam is sterker dan staat’, staat boven dat laatste artikel. Dat het ware geloof zwaarder weegt dan godsdienstige verdraagzaamheid, suggereert reeds het artikel van Van Langendonck.

De desastreuze gevolgen daarvan in Syrië en Irak, en de opkomst van IS, werden toen niet voorzien, maar vormen er wel de uiterste consequentie van.

Tegelijk lopen we met dat sectarisme en tribalisme aan tegen twee kernproblemen van het Midden-Oosten, en gaan we in tegen duizenden jaren oude, interne breuklijnen. Die zijn ouder dan welke Westerse imperialistische bemoeienis met de regio dan ook en zullen dan ook niet door het Westen kunnen worden geheeld. Dat besef zou elke hoogopgeschroefde verwachting over de effecten van Westerse militaire interventie in de regio moeten dempen, en zou tot terughoudendheid moeten nopen.

Europa mengt zich al anderhalve eeuw in het Midden-Oosten. Alleen – en dat is het cruciale punt dat in 2011 óók nog amper werd voorzien – met de aanslagen door IS en de vluchtelingenstroom die door Assad op gang is gebracht, laat de regio omgekeerd ook Europa niet langer met rust.