Tegenpolen uit dé voetbalstad

Madrid is de voetbalhoofdstad van Europa: Real en Atlético treffen elkaar zaterdag in de finale in Milaan. „Weet je wie de basis voor dit succes legde? Johan Cruijff!”

„Het geheim van Madrid?” Antonio Iriondo pakt in de trainerskamer van Rayo Majadahonda een stuk papier en trekt een lange lijn tussen de letters ‘D’ en ‘C’. „Destructie en creativiteit zijn de extremen. Diego Simeone speelt met Atlético een totaal ander spel dan het Real Madrid van Zinédine Zidane”, verklaart de trainer van de semiprofessionele voetbalclub. „Maar in Madrid worden tussen de ‘D’ en de ‘C’ alle spelstijlen gespeeld. Die grote diversiteit, dát is de kracht van het voetbal hier.”

Net als in 2014 wordt zaterdagavond de finale van de Champions League gespeeld tussen twee clubs uit de Spaanse hoofdstad. Atlético Madrid won het belangrijkste Europese clubtoernooi nog nooit, terwijl Real Madrid voor de elfde keer de hoofdprijs hoopt binnen te halen. Zondag zal het feest zijn aan de Madrileense Paseo de Prado. Als Atlético wint is de Neptunusfontein het decor van een huldiging. Verovert Real de beker dan hossen fans van ‘de koninklijke’ even verderop rond de fontein van Cibéles. Eén ding is al zeker: de Champions League komt van Milaan mee naar Madrid.

Madrid als voetbalhoofdstad van Europa. Iriondo toont een grijns. „Je zult het misschien niet geloven, maar weet je wie de basis voor dit succes in mijn ogen heeft gelegd? Jullie Johan Cruijff! Iedereen heeft het er altijd over hoeveel hij voor het voetbal in Barcelona heeft betekend, maar er wordt vergeten dat zijn visie ook van grote invloed is geweest op het voetbal in Madrid. Clubs gingen op zoek naar een antwoord of probeerden de spelstijl te kopiëren.”

De komst van Cruijff in 1973 naar Barcelona was ook een zegen voor Iriondo zelf. „Ik speelde als jonge trainer van AD Villaviciosa de Odón al een revolutionair systeem met drie verdedigers, vier middenvelders en drie aanvallers. Daarmee dwongen we drie keer op rij promotie naar een hogere afdeling af”, zegt Iriondo. „Maar vele voetbalkenners geloofden destijds niet dat je daarmee in de top kon spelen. Ik heb met open mond naar het WK van 1974 gekeken. Dat was mijn totaalvoetbal. Plotseling werd het een voorbeeld voor velen.”

Iedere buurt in Madrid heeft een eigen voetbalclub. Van Vallecas tot Santa Ana. Scout Antonio Gabaldón kent alle veldjes van de stad. Hij ontdekte achttien spelers die de Primera División haalden. Zoals Emilio Butragueño, die bij Real Madrid uitgroeide tot een spits van wereldklasse. „Ik weet nog goed dat ik Butragueño zag spelen op een toernooitje in een schoolelftal. Een sensatie. Ik bracht hem naar Atlético. Daar speelde hij een paar dagen toen Real alsnog interesse toonde.”

Butragueño vormde samen met andere geboren Madrilenen als Sanchís, Michel en Vázquez het hart van een elftal dat van 1986 tot 1989 onder leiding stond van Leo Beenhakker. Butragueño zit zaterdagavond in Milaan als één van de directeuren van Real op de tribune bij de finale. „Destijds haalden veel Madrilenen het eerste elftal. Nu is Daniel Carvajal de enige speler uit Madrid die regelmatig een basisplek heeft”, vertelt Gabaldón. „Nu pikken ze spelers weg overal ter wereld.”

Iedereen wil van Real winnen

Het Nederlandse talent Mink Peeters (18) maakte zo in september 2014 de overstap van Ajax naar Real Madrid. Het afgelopen half jaar speelde hij in een jeugdelftal dat in handen was van de Madrileense oud-speler Guti. „Het is heel erg gaaf om bij deze club te mogen spelen”, zegt Peeters in een telefonisch gesprek. „Nog steeds bij iedere keer dat ik het witte shirt van Real Madrid aan mag trekken voelt het als een droom. Dat er twee clubs uit Madrid in de finale van de Champions League staan betekent voor mij dat ik de juiste keuze heb gemaakt. Nergens is het voetbal zo groot als hier.”

Peeters ondervindt als speler van Real Madrid ook hoe groot soms de afgunst is bij de tegenstanders. Niet alleen Atlético beschouwt de club uit het mondaine Chamartín als de grootste rivaal, maar iedereen uit de stad wil graag van Real Madrid winnen. „Dat is eigenlijk nog extremer dan ik bij Ajax meemaakte. Het verschil tussen thuis of uit spelen is enorm. Op ons eigen complex is alles tot in de puntjes verzorgd. Bij uitwedstrijden maak je de gekste dingen mee. Tegenstanders vliegen er vol in. Ze laten ons soms expres op een heel slecht kunstgrasveld spelen, terwijl een goede mat ernaast ongebruikt blijft. En al ligt alles vol met plassen, het gaat altijd door.”

Trainer Iriondo van Rayo Majadahonda weet als oud-speler in het tweede elftal van ‘de koninklijke’ als geen ander wat Real Madrid losmaakt. Hij hoeft zijn spelers nooit te motiveren als ze tegen de grootmacht spelen. „Maar meestal verliezen we toch”, zegt hij lachend. „De spelers van Real Madrid leren zich op jonge leeftijd te verweren. De Madrileense sterren als Iker Casillas en Raúl hebben dat allemaal meegemaakt. Via de hel naar de hemel, zo noemen we hier de weg die spelers naar de top moeten afleggen. Op het hoogste niveau was Real vrijwel altijd Atlético de baas. Maar dat is nu anders. Dat is voor een groot deel te danken aan Diego Simeone.”

De Argentijnse trainer van los rojiblancos heeft na een periode van veertien jaar waarin Atlético nooit wist te winnen van de aartsrivaal, de sleutel gevonden het systeem van Real te ontmantelen. „Hij heeft een anti-gif gevonden”, legt Iriondo uit. „Real Madrid heeft eigenlijk zelf dit monster gecreëerd. Simeone betrekt de fanatieke aanhang van Atlético bij het spel. Maar ook de inbreng van Madrileense spelers als Gabi, Koke en Torres is van belang. De nederlaag in de finale van 2014 in Lissabon zit nog steeds heel diep. Simeone zal zich willen wreken. Op welke manier dan ook. Zidane wil juist met mooi voetbal zijn eerste hoofdprijs met Real Madrid winnen. Twee tegenpolen uit één stad. Prachtig toch?”