Column

Steven

De autoriteit waarmee hij de meute in de Giro afblufte, hadden ze in Nuenen niet eerder gezien. Dit was geen volgzame renner uit Brabant, dit was pontificaal leiderschap. Al even verrassend: de elegantie die de maglia rosa had losgeweekt. Pure charme in het zadel en na de koers blakend van blijmoedigheid.

Vooral in bergetappes demonstreerde Steven Kruijswijk zijn superioriteit. Eindelijk weer een Nederlander met klimmersbenen. De Brabander had er zelf zoveel zin in dat hij zijn belagers op de top van een col weleens treiterde met een sprintje.

Bravoure.

Met Kruijswijk als winnaar van de Giro d’Italia leek Nederland de zomer in te gaan met een iconisch trio: Dafne Schippers, Max Verstappen, Steven Kruijswijk. De prestatie van de wielrenner zou als historische referentie niet onderdoen voor een sprint op de atletiekpiste of winst in de Formule 1. Dat een landgenoot nog een grote ronde kon winnen, was geen acute verwachting meer. Er waren tekenen dat Robert Gesink op weg was naar verrijzenis, maar het hoogste podium zat er niet meer in. Idem dito voor Bauke Mollema die als klimmer in de subtop is blijven hangen. Van Kruijswijk wisten we dat hij een Girofreak is die in de laatste week vleugels krijgt, maar of hij na een operatieve ingreep aan de lies zijn aangeboren talent en Italiaanse passie zou kunnen verzilveren, bleef onbekend. Aan zijn klasse werd niet getwijfeld, aan zijn panache iets meer.

De kopman van Lotto-Jumbo verwees al in de eerste week twijfel en achterdocht naar kwaadsprekerij. Hij was veruit de sierlijkste renner van de bende, druipend van souplesse en zelfvertrouwen. De Giro was zijn pak van Valentino.

Het roze stond hem als een galastuk voor een optreden van Prince. Het brak zijn rossige gloed en liet in hem een Monegask ontwaken. Hij kon zo naar de eretribune van de GP in Monaco. Het bleke provinciaaltje was wereldburger geworden.

Een zeldzame ontroering bleef aan Kruijswijk plakken. Iedere dag dat hij op het podium het roze tricot aantrok met de beloken blik van een weeskind, groeide de sympathie voor de leider. En warmte. In de krant stond dat notabelen van Nuenen en Den Bosch al aan het bekvechten waren voor de primeur van het inhuldigingsfeest. Ik zag Steven meteen zitten op een platte kar, geflankeerd door lieve mensen met zwarte nagelranden en een uit de zolder getrokken maf zondagspak. Tristesse van glorie.

En gelukkig dat ze waren.

Het werd vrijdag. In de afdaling van de Colle dell’Agnello maakte Steven een stuurfoutje. Hij ging over de sneeuwrand en krabbelde moeizaam overeind. Ontregelde fiets. In een dramatische achtervolging probeerde hij zijn roze trui te redden. Het lukte net niet. Ik zag hem rijden en lijden, het gezicht wezenloos als net gedroogde, ongestreken was. De rechte rug ineens weg, pedaleren werd stoempen, elegantie ging over in wrakhout.

Drama.

Maar het geloof in Kruijswijk laat ik me niet ontnemen. Vandaag volgt nog een zware bergrit waar hij de tik van Nibali en Chaves zomaar weg kan demarreren. Kruijswijk laat zich niet meer wegslaan door malheur. Ik houd vol dat hij de Giro wint.

Wat Tom Dumoulin in de Vuelta overkwam, is niet vatbaar voor herhaling. Het Nederlandse cyclisme heeft winnaars nodig. Die status had Kruijswijk quasi gratis in de aanbieding. Een domme sneeuwwand kan een goed mens de droom niet ontnemen.

Ach, wat maakt het uit of Kruijswijk de achterstand op Chaves en Nibali nog inhaalt in de laatste, zeer onherbergzame bergrit?

Hij wás de Giro 2016. Punt.