Sporters die wij allemaal kunnen zijn (denken we)

Topsport Vier Nederlandse twintigers doen de wereld versteld staan. De thuisblijvers prijzen het gebrek aan kapsones van ‘Steven’, ‘Max’, ‘Dafne’ en ‘Tom’. De Italianen vinden ons saai, maar wij zien onze helden het liefst zo gewoon mogelijk.

Ze zijn welbespraakt, zelfbewust en hebben geen kapsones. Hebben een hoge gunfactor zoals dat heet. Dafne, Steven, Max en Tom. Zijn er betere heelmeesters denkbaar? Nuchtere sportmensen die in de eerste maanden van 2016 in staat zijn gebleken de eigenwaarde van een natie los te koppelen van het lot van een voetbalselectie. En dan moet de zomer nog beginnen. Van het Nederlands elftal dat wegzakte, naar een viertal twintigers dat de wereld keer op keer versteld doet staan.

Sinds de grand-prixzege van Max Verstappen in Spanje struikelt de racewereld over de superlatieven. „Buitengewoon, nog nooit zoiets gezien”, zegt Formule 1-icoon Niki Lauda desgevraagd, terwijl hij in een slonzige spijkerbroek in Monaco handtekeningen uitdeelt aan bewonderaars. „Max wereldkampioen? Hij is er natuurlijk nog niet, maar het kan.”

Dumoulin is ook van de Hollandse nuchterheid, al is hij iets uitgesprokener dan zijn collega Kruijswijk

Monaco, waar zondag de grand prix wordt verreden, zindert van Verstappen, weet ook zakenman en ex-Formule 1-rijder Michael Bleekemolen (66) die met zijn motorjacht in de haven van Monaco ligt, het achterdek naar het circuit toe. „We hebben weer een Cruijff, een Van Gogh. Alles wordt weer lekker opgeklopt.”

Zie Steven Kruijswijk (28) een paar honderd kilometer verderop in zijn gehavende roze trui van de Giro d’Italia staan, de trui die hij kort daarvoor door een valpartij heeft verloren. Ook na de grootste deceptie uit zijn loopbaan staat hij verslaggevers te woord. Zij moeten over zijn verlies berichten, terwijl bijna iedereen hem al de eindzege in de Giro had toegedicht. Tilt Nederland zijn sporthelden soms niet te snel op het schild?

Tot die desastreuze vrijdag stond hij dagelijks in het middelpunt van de belangstelling. Gelukkig voor hem deed hij steeds weer alsof hij niet op het punt stond iets heel groots te presteren. Kruijswijk haalde zijn schouders op als de Italiaanse media hem saai noemden, een sporter zonder verhaal, niet met dramatiek omgeven. Hij houdt niet van dat soort aandacht. In de etappe van dinsdag naar Andalo lachte hij wel breeduit toen een grote groep Nederlanders „Stevie, Stevie” riepen. Zijn ouders stonden er trots naast, vriendin en zoontje ook.

Cocon

Intussen keken al vijf dagen wereldwijd tachtig miljoen mensen naar een rossige kerel in de kracht van zijn leven. Maar hij leek zich ervan af te kunnen sluiten, in een cocon van kalm zelfvertrouwen. Als Alejandro Valverde, toch niet de minste wielrenner, hem op een persconferentie overlaadt met complimenten, vertrekt Kruijswijk geen spier. Waarom adoreren, vraagt hij zich af. Er is nog niets binnen, bleef hij wijselijk herhalen. En Max? Die wordt tijdens de grands prix over de hele wereld door vierhonderd miljoen mensen gevolgd. „Mooi toch?”, zal hij bescheiden zeggen.

Max Verstappen blijft ondanks al het succes vooral nuchter. Hij woont in Monaco, maar heeft weinig op met glamour. Terwijl het stadstaatje deze dagen dreunt van de beats en de feesten, op de boulevards en op de aangemeerde boten, zit Max na de race het liefst zo lang mogelijk bij zijn team.

Ook dit jaar loopt hij niet op de catwalk tijdens de jaarlijkse modeshow van coureurs voor het goede doel (tafeltje: negenduizend euro). „Max moet doen waar hij zich het prettigst bij voelt. Hij moet niet gaan acteren, dan verlies je als topsporter je geloofwaardigheid”, zegt Raymond Vermeulen, Verstappens manager, in de hospitality-ruimte van Red Bull, het team van Max. „Hij moet gewoon zichzelf blijven”.

Het zijn kinderen van een land waar soberheid en bescheidenheid het altijd wonnen van heroïek. „Het zijn gewone Nederlanders die buitengewone dingen doen”, zegt Maurits Hendriks, technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF. „Dit is wat we willen zijn. Wij houden in Nederland niet van sporters die hard schreeuwen. Dit zijn mensen van ons allemaal.”

Kruijswijk is een doodgewone Brabander, die liever wegblijft van alle poeha en historische vergelijkingen

De kans is groot dat Hendriks dit jaar met een historisch grote olympische afvaardiging naar Rio gaat. „We zijn een ambitieus sportland geworden waar alles wordt gedaan om talenten vroeg te ontwikkelen en te begeleiden. We hebben in veel sporten heel goede sporters.”

Maar zo normaal als ze het doen voorkomen, is het toch niet, zegt Maarten van Bottenburg, hoogleraar Sportontwikkeling in Utrecht. „Nederland is heel breed op topsportniveau, beter dan we denken. Schippers en Verstappen excelleren in wereldsporten. Dat is exceptioneel. Als je het over de wereldkampioenen in het schaatsen had, had je het over wereldkampioenen in Nederland. We zijn na Fanny Blankers-Koen op de 100 meter nog nooit in de buurt van de top-acht geweest. We hebben ook nooit serieuze kandidaten in Formule 1 gehad. Jos verstappen maar een beetje. Dit is echt heel bijzonder. Dit soort uitzonderlijke talenten maak je niet, die ontstaan.”

Het valt Van Bottenburg op hoe professioneel de jonge succesvolle sporters met publiciteit omgaan. „Er is in de begeleiding veel aandacht voor hoe je moet omgaan met publiek en media. De sport vertegenwoordigt ook een commerciële waarde. Via de sport kun je je toekomst veiligstellen. Het valt me op hoe ze heel bewust met hun situatie omgaan. Ze ondergaan het niet, maar geven er sturing aan.”

Steven Kruijswijk is een doodgewone Brabander die toevallig heel hard kan fietsen, en nu de hele wereld iets van hem moet, gaat hij zijn inborst niet veranderen. Integendeel. Hij blijft liever weg van alle poeha, van historische vergelijkingen met Grote Nederlanders, van journalisten die hem woorden willen ontlokken. Hollandse nuchterheid in optima forma. Tom Dumoulin poogt dat ook te doen. Hoewel hij alweer iets uitgesprokener is dan zijn collega Kruijswijk.

Hetzelfde zie je terug bij Max Verstappen. Met driehonderd kilometer per uur achternagezeten door een eenvoudig wereldkampioen, bleef Verstappen in Barcelona kouder dan The Iceman Kimi Räikkönen zelf. Bij de huldiging straalde de blijdschap ervan af, natuurlijk, maar een paar dagen later zat hij op een stoel bij Jeroen Pauw om nuchter uit te doeken te doen waarom hij is wie hij is.

Girl next door

En Dafne Schippers, regerend wereldkampioene op de 200 meter sprint, favoriet voor de olympische titel op die afstand in Rio, over drie maanden. Ze is de girl next door die ook heel hard kan rennen. Naar de buitenwereld nuchter, kalm, in control. Ze doen waar ze goed in zijn, in totale focus.

Wat ze delen is een goede opleiding, stelt Van Bottenburg vast. Het klopt: Kruijswijk scoorde op zijn Cito-toets de maximale score van 550 en doorliep daarna het vwo zonder problemen. Schippers deed havo en startte daarna op de pabo, maar maakte dat vanwege haar sportcarrière niet af. Tom Dumoulin rondde het gymnasium af en werd uitgeloot voor de studie geneeskunde. Max Verstappen deed in België een internetopleiding op vwo-niveau. Maar, vult sporthistoricus Jurryt van der Voorn, aan: „Max heeft een universitaire opleiding van zijn vader gehad. Die autocoureurs reproduceren zichzelf.”

Volgens Van der Voorn moet topsport tot in de kleinste details geregeld zijn, daar ligt op hoog niveau de winst. Uit onderzoek van de Rijksuniversiteit van Groningen is gebleken dat ongeveer zeventig procent van de toptalenten een schoolopleiding op havo- of vwo-niveau volgt, aanmerkelijk meer dan het landelijk gemiddelde (44 procent).

Verstappen blijft ondanks al het succes vooral nuchter. Hij woont in Monaco, maar heeft weinig op met glamour

Van der Voorn: „Je moet kunnen anticiperen, tijdens de wedstrijd, strategieën ontwikkelen. Ik vond iemand als Anton Geesink bijzonder intelligent. Judo is ook een filosofie, hij haalde er de een na hoogste graad in. Dat gaf respect bij de Japanners, niet omdat hij zoveel spieren had. Voetballers lijken niet te kunnen switchen van strategie. Het mannenvoetbal is eigenlijk een hele domme, in zichzelf gekeerde sport. Van Basten kan heel denigrerend zeggen: we dreigen af te zakken naar handbal, terwijl handbal verder is qua psychologie.”

De historicus ziet juist geen enkele causaliteit in de prestaties van de ‘grote vier’ Schippers, Dumoulin, Kruijswijk en Verstappen. „Ja, ze hebben een Nederlands paspoort en ze winnen. Verschil met vroeger is dat de maatschappij steeds meer waarde aan topsport hecht. We leven in een tijd dat we van topsport houden, om er naar te kijken, te juichen, boos te zijn.”

Dat was dertig jaar geleden wel anders, zegt Van der Voorn. „Toen was een topsporter iemand die in zijn eentje tot een prestatie kwam, geholpen door mensen om hem heen. Er was weinig maatschappelijke waardering, zoals voor wetenschappers.”

De waardering voor topsport is de afgelopen twee decennia toegenomen, constateert Van der Voorn. Heldenverering mag, er is zelfs een glossy voor. „Vroeger zaten we allemaal in de kerk, nu kijken we naar een man in een roze trui. Maar als je harder kunt dan de rest, ben je dan een held?