Column

Oorverdoving

Als Pietje Bell en zijn vriendjes iets leuk vonden, zich flink amuseerden, riepen ze opgetogen tegen elkaar: Emmes! Wie was Pietje Bell? Een ondeugende Rotterdamse jongen, in 1914 geboren uit het brein van Christiaan van Abcoude, samen met zijn trouwe makkers Engeltje en Peentje, een jongen die waarschijnlijk rood haar had. De oranje groente die in de rest van het land worteltjes wordt genoemd heet in Rotterdam peentjes.

Drie jongens met een gouden hart, maar ze specialiseerden zich in kattekwaad. Ik geloof dat ze nog een roversbende, De Zwarte Hand, hebben opgericht. Over hun avonturen is ook een film gemaakt die een miljoen bezoekers heeft getrokken. ‘Emmes’ is een woord van joodse oorsprong. Als zodanig wordt het genoemd in de dikke Van Dale.

Pietje en zijn vriendjes kregen concurrentie van andere jeugdhelden. Bruintje Beer en Wim Das heb ik altijd brave sufferdjes gevonden. Mijn eigentijdse helden waren Bulletje en Boonestaak die zich als verstekelingen verstopten aan boord van de Hercules waarop de vader van Boonestaak kapitein was. Daar had je ook de bootsman Ouwe Hein die ‘bonken’ vertelde, verhalen die niet waar konden zijn. Over zijn gevecht met de hoofdman der zeerovers en de eerste hoofdtransplantatie ter wereld bijvoorbeeld.

Er kwamen nieuwe nationale volkshelden zoals de totaal onverschrokken particuliere detective en jiu-jitsukampioen Dick Bos. Die bediende zich van een ander idioom. „Na zo’n nekslag zeggen ze gewoonlijk niet veel meer”, zei hij na zo’n voltreffer te hebben uitgedeeld. En daar lag de boosdoener, reddeloos gevloerd. „Bos, ik heb je onderschat”, mompelde hij. Hoe vonden we dat? Mieters, zeiden we toen. Ook dit woord komt in de Van Dale voor, in drie betekenissen: vervloekt, heerlijk en fijn. Deze hele eeuw heb ik nog geen mens iets of iemand mieters horen noemen. Ook dit is bijgezet op het verbale kerkhof.

Dit wil niet zeggen dat we in deze tijd geen behoefte aan de overtreffende trap zouden hebben. Zelfs meer dan ooit. In vroeger tijden bleef het gebruik voorbehouden aan mensen die zich door hun afkomst of maatschappelijke positie daartoe gerechtigd voelden. De directeur van een grote onderneming die liet weten dat hij een nieuwe uivinding van enorme betekenis vond, werd door de hele wereld au sérieux genomen.

Ik heb een talentvolle, moedige en energieke journalist gekend, Jan Vrijman, die bij alles wat hem beviel Geweldig! riep. Dat was het waarmerk van zijn waardering. Niemand anders kon het op zo’n krachtige, overtuigende manier zeggen. Dat was in het laatste kwart van de vorige eeuw.

Is de democratisering van het superlatief omstreeks die tijd begonnen? In deze krant van afgelopen dinsdag staat onder de kop ‘Su-per-leuk’ een stukje van Hans Beerekamp. De strekking is dat na de zomer van 1997 de opmars van superleuk pas echt is begonnen. ‘Leuk’ was al het nieuwe universele woord van onze moedertaal geworden. Alles wat je beviel werd voortaan leuk genoemd en wat niet voor die kwalificatie in aanmerking kwam, kon desnoods nog worden opgeleukt. Maar het volk was niet tevreden, het wilde meer. Hoe we daarachter komen weet je niet, maar opeens merk je dat het zelf in zijn behoeften heeft voorzien.

Zo is de samenstelling superleuk ontstaan. En er zijn ook mensen die je superbedanken of je megalief vinden en die Top! roepen als ze het met je eens zijn. Ongemerkt zijn we in een nieuw taalkundig tijdperk terechtgekomen, dat van de vergrotende en overtreffende trap. Het is begonnen omstreeks 1950 toen de televisie tot massamedium werd. Op basis daarvan zijn de sport, het entertainment en de commercie aan een nieuw tijdperk van wereldheerschappij begonnen. Niet zo lang geleden werd dat ‘oorverdovend’ genoemd. Nu heet het ‘super’.