‘Ik was niet gek, maar wel gehavend’

(76) was de eerste vrouw die afstudeerde aan de Filmacademie en regisseert al vijftig jaar films. ‘Niet alle jonge vrouwen realiseren zich dat nog, maar we hebben veel bereikt.’

Nouchka van Brakel (76) krijgt vrijkaartjes voor haar eigen film. Tijdelijk terug in de filmzaal: Een maand later, een komedie met actrices Renée Soutendijk en Monique van de Ven. Dertig jaar geleden regisseerde ze die film. Vijftig jaar geleden, in 1966, maakte ze haar eerste bioscoopfilm – Sabotage. Een halve eeuw in het vak, en de eerste vrouw die afstudeerde aan de Filmacademie, dat werd de afgelopen weken gevierd in filmmuseum Eye in Amsterdam. Drie van haar vijf speelfilms werden opnieuw vertoond en in de grote filmzaal was er een discussie over of er zoiets bestaat als ‘vrouwenfilms’.

Nu zitten we in het restaurant van Eye, met verse muntthee en „zalige garnalenkroketjes”. Nog voor er iets op tafel staat, waarschuwt Nouchka van Brakel vast dat ze voor toe een citroentaartje overweegt. „Heb je enig idee”, vraagt ze aan de medewerkster die haar zojuist de filmkaartjes overhandigde „hoeveel mensen er de vorige avonden in de zaal zaten? In de kleine? En de grote?” Tegen mij: „Dat is een automatisme. Als ik met mijn koor optreed, begin ik ook meteen te tellen. Tachtig, sis ik dan tegen m’n buurvrouw. Of: twaalf.” Ze zingt al jaren in het Zeedijkkoor. Geen smartlappen, maar levensliederen. Drs P., Huub van der Lubbe, een enkele keer André Hazes.

Een paar jaar geleden is ze begonnen aan een soort autobiografie. Een uitgeverij had haar dat gevraagd en ze heeft natuurlijk best een enerverend leven achter zich. Maar met dat geschrijf is ze opgehouden. „Ik wil niet terugkijken. Ik ben een ram hè, die willen in gestrekte draf vooruit.” Wat ze nu wel doet, voor haar kleinzoon David van 17, is haar avonturen opschrijven die ze op haar reizen heeft beleefd. „Ik heb eens in de Bosatlas gekeken. Ik ben in 26 landen geweest.” Soms voor werk, soms juist als het werk gedaan was. „De enige keer dat ik er even uit mocht, even los kon komen van werk en gezin, was als ik een lange film af had.” Na Van de koele meren des doods (1982), ook met Renée Soutendijk, vertrok ze naar Borneo, waar ze levende bijenlarven at. Meestal reisde ze alleen. „Ik ben enig kind”, zegt ze. „Ik kan niet zo goed tegen groepen.” Haar eerste, echte „toeristentrip met reisgezelschap” maakte ze twee jaar geleden. Een ballonvaart boven de rotsgrotten van Cappadocië in Turkije. Haar mooiste ervaring tot nu toe.

Als klein meisje woonde ze in Turkije, in een dorpje in het Aziatische deel. Haar vader was jazzmuzikant, haar moeder zangeres. Elsje heette ze toen nog. Geen naam voor een volwassen vrouw, vond ze zelf. Ze ging als Nouchka naar de Filmacademie. „Mijn moeder had het ook gedaan. Ze heette Helena Petronella. Maar ze noemde zich Puck.” De e van Elsje staat wel op haar visitekaartje. Nouchka E. van Brakel. „Dat heb ik op m’n zeventigste gedaan. Ik werd sentimenteel.”

Haar jonge jaren in Turkije, en later in de Amerikaanse zone van Duitsland hebben haar leren ‘sponzen’: „Als je ergens de taal of de situatie niet begrijpt: oordeel niet, maar kijk. Neem de visuele informatie in je op. Onthoud de beelden.”

Een zekere alertheid

Wat ze ook heeft overgehouden aan haar jeugd in het buitenland, naast haar „tic” om op blote voeten te lopen, is een zekere alertheid. „Weet je waarom ik hier zo zit?”, vraagt ze. Haar stoel in een hoek, haar rug tegen het raam. „Overzicht. Ik moet de ruimte overzien.” Niemand die ongezien een mes in haar rug kan steken. „Ik waak ervoor niet in zeven sloten tegelijk te lopen.” Ze is even stil. „Dat heb ik dus ook nooit gedaan.” Weer stil. Een grinnik. „Wat een ontdekking.”

Handige eigenschappen voor een regisseur, zeg ik. Kijken, niet oordelen, overzicht houden. Ze knikt. Ze heeft twintig jaar les gegeven op de filmacademie. Regie. Zelf noemt ze het liever setgedrag. „Hoe gedraag je je? Waar bemoei je je mee, en vooral waarmee niet.” Belangrijkste is: kies een vakkundige crew. „Art direction, de kleding, licht, de camera’s. Mensen hebben er jaren voor gestudeerd. Jij weet het echt niet beter.” En het acteerwerk? „Aaah, de acteurs. Dát vond ik heerlijk. Zij zijn de kleuren, de emoties van de film. Die gaf ik altijd de meeste aandacht.”

Haar kleinzoon en een vriendin – „mijn jongste fan” – zaten ook in de zaal toen vorige week Van de koele meren des doods weer werd vertoond, haar verfilming van de roman van Frederik van Eeden uit 1900. Hedwig, dochter uit een rijke familie, trouwt ongelukkig, krijgt een affaire die mislukt en een baby die sterft. Ze raakt verslaafd aan morfine. „Weet jij wat die jongelui de mooiste scène vonden?”, vraagt ze en onderbreekt zichzelf. „Ik dacht nog even, oei, die befscène... maar het mooiste vonden ze de scène waarin Hedwig in de isoleercel van een inrichting werd opgesloten.”

Ze straalt van trots. Het is de zwaarste én de „meest wezenlijke” scène van de film, waarin ze laat zien dat Hedwig óók de dupe was van een „Victoriaanse, vrouwvijandige samenleving”. Begin 1900 was een vrouw niet verdrietig, maar hysterisch. Niet ongelukkig, maar gek.

Is het daarmee een ‘vrouwenfilm’? Wie weet. Haar films hebben zeker een vrouwelijke handtekening. Het zit ’m in de onderwerpen: carrièrevrouw wisselt van rol met huisvrouw. Jonge moeder wordt verliefd op lesbische hippie. Maar ook in de details. „In Een vrouw als Eva leert Eva, heel terloops, haar zoontje breien.”

Zo’n beeld, hoe subtiel ook, werkt emanciperend, zegt ze. „Als ik dat woord nog mag gebruiken.” Feminist, ook zo’n woord dat ze nauwelijks meer hardop durft te zeggen. Maar ze is het wel. In de zestiger, zeventiger jaren was ze Dolle Mina. „Niet alle jonge vrouwen realiseren zich dat nog, maar we hebben veel bereikt.” Ze somt op: „Moedermavo, gelegaliseerde abortus, vrije seks.”

De eerste Volvo

Ze is uit de vrouwenbeweging gestapt. Niet dat er niks meer te bevechten viel. „Gelijke betaling voor mannen en vrouwen, betaalbare kinderopvang, er is genoeg te doen.” Maar? „Daar wil ik het liever niet over hebben.” Wat ze wel vertelt: hoe boos sommige Dolle Mina’s op haar werden toen ze haar eerste auto kocht, een Volvo. „Dat ik zoiets deed. Mezelf verrijken over de ruggen van al die ongelukkige vrouwen.”

Vierhonderd gulden was-ie. Die Volvo. Gekocht van haar eigen geld waar ze heel hard voor werkte. „De eerste drie jaar ging mijn salaris rechtstreeks naar de babysitter.” Op haar tweeëntwintigste had ze, met acteur Pier van Brakel, dochter Sandrien gekregen. „Heel jong, heel onhandig, maar erg gewenst.”

„Opslokkend” was het. Ze bedoelt haar werk. Speelfilms, documentaires, televisieseries. „Als ik thuis was, draaide de film in mijn hoofd door.” Ken je die foto, zegt ze, van een zandbak vol spelende kinderen? „Eén moeder speelt met haar kind, één moeder kijkt naar haar spelende kind. En een vader zit op de rand van de zandbak geconcentreerd te kijken op zijn telefoon. Zo herkénbaar.” Je denkt: nu komt er een klaagzang over de tekortschietende vader, maar nee. „Zo was ik ook. Ik voelde me precies zoals die man.”

Ze heeft er goed door leren ‘olifanten’, zegt ze. „Bij ons thuis lag een opschrijfboekje in de vorm van een olifant. Daarin stond wie wat wanneer moest doen.” In de weekenden en vakanties ging haar dochter mee naar de set. „Ze heeft aardig wat bijrolletjes gespeeld.”

Veel erger dan hard werken, was niet werken. Tijdens het draaien van Een maand later, het was 1987, overleden 23 dagen na elkaar haar vader en haar moeder, ze scheidde na 16 jaar van haar tweede man, haar dochter werd 18 en ging de deur uit. „En de kat liep ook nog weg.”

Het zou bijna negen jaar duren voor ze weer een film maakte – in 1995, over de Nederlandse wetenschapper en feministe Aletta Jacobs.

Negen zwarte jaren, zegt ze. „Ik was niet gek, maar wel gehavend.” En het tij zat tegen, dat ook. Haar films hadden het altijd goed gedaan in de bioscopen. „En dat werd ineens tegen me gebruikt. Ik was te commercieel.” Subsidie kreeg ze niet meer.

Enfin, veel weet ze niet meer van die tijd. Onaangename herinneringen laat ze het liefst afzinken in de vijver der vergetelheid. Af en toe borrelt er wel eens iets boven, maar niet vaak. Ze heeft de jaren dat ze geen films kon maken met veel plezier les gegeven aan de Filmacademie. Tot ze 65 werd en met pensioen moest. Ze heeft nog overwogen een procedure te beginnen wegens leeftijdsdiscriminatie. Maar ze had er de tijd niet voor. „Drie dagen na mijn afscheid stond ik met drie camera’s te draaien.” Een documentaire over Maria, de moeder van Jezus.

„De meeste van mijn vriendinnen hebben vaste omadagen”, zegt ze. Twee, drie dagen in de week passen op de kinderen van hun kinderen. „Vindt iedereen heel vanzelfsprekend. En als oma een keer geen zin heeft, is het bonje.” Daar snapt zij dus niks van. „Ze mogen in hun handen knijpen met zo’n meewerkende oma.”

Ha, haar citroentaartje arriveert. Uit haar handtas pakt ze een telefoon en fotografeert het taartje. „Ik maak altijd foto’s van eten. Later weet ik dan precies waar ik was toen ik het at en met wie.” En gaat ze dat taartje nog ergens posten? Facebook? Instagram? „Ben je gek. Ik eet hem op.”