Ik moet veel uit het raam kijken

De vroegere directeur van het Stedelijk Museum, Rudi Fuchs, stelt op verzoek van de huidige directeur een tentoonstelling samen. „Geen kunstenaar weet waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet.”

Tekst Lucette ter Borg Foto’s Merlijn Doomernik

Rudi Fuchs: „Ik kocht Robert Mangold, niet omdat ik hem kende, maar omdat ik dacht: ‘Godverdomme, hier begrijp ik helemaal niks van.’” Foto's Merlijn Doomernik

Rudi Fuchs reddert – en als hij niet reddert zakt hij neer in een bureaustoel waarvan de rugleuning bijna horizontaal naar achteren doorbuigt. „Gaan jullie maar thee drinken”, wuift hij. „Ik trakteer.” Rudi Fuchs heeft het tegen de assistenten, technici, sjouwers en anderen die hem helpen zijn tentoonstelling Opwinding in het Stedelijk Museum in Amsterdam in te richten, die dit weekeinde voor publiek opent. Hij is dol op de ‘werkmensen’, zoals hij ze noemt, en zij omgekeerd op hem. Zonder morren gaat een zwaar muurreliëf van de Amerikaanse minimalist Donald Judd weer van de muur. „Wat denken jullie?” vraagt Fuchs, „toch twee centimeter hoger?” Iedereen lacht.

Rudi Fuchs praatte altijd al half verstaanbaar, maar tegenwoordig mompelt hij nog meer. Hij is net 74 geworden, beweegt moeizaam, ademt zwaar. Opwinding is zijn lang verwachte afscheidstentoonstelling in het Stedelijk Museum. Met deze tentoonstelling – op uitnodiging van de huidige directeur Beatrix Ruf – blikt hij terug op zijn lange loopbaan, de jaren dat hij in het Van Abbemuseum in Eindhoven directeur was (1975-1987), op Documenta 7 die hij in Kassel leidde (1982), de tijd dat hij in het Haags Gemeentemuseum de scepter zwaaide (1987-1993) en de door problemen geplaagde jaren dat hij directeur van het Stedelijk Museum was. Bij het Stedelijk vertrok hij in 2002 oneervol, nog net niet met pek en veren besmeurd. De nieuwbouw van het museum was onder zijn leiding verworden tot een financieel en bestuurskundig monster van Frankenstein. Het oude museum lag er verwaarloosd bij. Fuchs’ tentoonstellingsbeleid werd als achterhaald gezien, met steeds maar weer dezelfde kunstenaars.

Ik spreek Fuchs een aantal keer in de aanloop naar de opening. Ik loop hem tegen het lijf in de kelder van de nieuwbouw, een zaal van zo’n dertienhonderd vierkante meter groot. Hier werkt hij alle dagen van de week van acht uur ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds. „Maar toch voelt dit als vakantie”, zegt hij. „Ik doe dit voor mijn lol.”

Kunstwerken uit Eindhoven en Den Haag die hij ooit aankocht, druppelen binnen. Zojuist is een loodzwaar wandobject van Jannis Kounellis aangekomen uit Italië. Ook werken die zijn verworven door Fuchs’ voorganger Edy de Wilde en Wim Beeren hangen weer op zaal. Joop van Caldenborgh heeft zijn Tracey Emins en Damien Hirst in bruikleen gegeven. Nauman, Maria Lassnig, veel Judd, Hamish Fulton, Sol Lewitt, Rineke Dijkstra, Schwitters, Dibbets, Mondriaan, Immendorff, Schnabel, Rainer, Kiefer, Pollock, Baselitz en nog veel meer hangt associatief door elkaar. Soms is kleur de overheersende gedachte van een zaal. Soms de kwadraat, soms gaat het puur om de contrasten. In totaal zijn meer dan honderddertig werken bij elkaar gebracht in een door Fuchs’ vaste vormgever Walter Nikkels ontworpen, zeer uitgekiend parcours. „Dit voelt als een mini-Documenta”, zegt Fuchs blij.

Loop je met hem over zaal, dan heb je het geluk om kunst in haar puurste vorm te ervaren: als levende, aanraakbare kunst, niet gemaakt door reusachtige autoriteiten, maar door mensen van vlees en bloed met al hun kleine afwijkingen, gektes en geniale vondsten. ‘Mijn lijken’, noemt Fuchs ze liefkozend. ‘Mijn vrienden’. ‘Mijn Verhängnis’. Het is hem vaak nagedragen, dat hij zo hecht bevriend was met kunstenaars. Baselitz, Judd, Dibbets, Buren, Marien Schouten, Kounellis, Rainer, Attersee – het zou zijn objectieve oordeel als kunstcriticus in de weg staan. Hij zag en ziet ze meerdere malen per jaar, met Dibbets belt hij bijna dagelijks, er zijn logeerpartijen over en weer. Aan Judd, die in 1994 overleed, denkt hij nog steeds „iedere dag”.

Achter iedere spijker zit een verhaal. Hij staat stil bij een prent van Mimmo Paladino – een fijn getekende figuur van een mens naast een abstracte vlek. „Kijk nou hoe mooi”, prevelt Fuchs. Hij volgt met zijn vinger de lijnen langs hoofd, rug en been – liefkozend. „Ik hou van die dingen. Ik hou van die kunstwerken. Dat is gewoon zo.”

We gaan omhoog met de lift. Naar de boardroom op de vierde verdieping van het museum. „Kunstgeschiedenis, een tentoonstelling maken, is veldwerk. Je begint bij het wit, en daar komt een schilderij uit”, zegt hij. „Dat heeft me altijd geïnteresseerd – ook bij Rembrandt al. Die weg van het niets naar het iets. Als je goed kijkt kun je precies zien waar de kunstenaar begonnen is. Als je dat ziet, hoef je niet meer te vragen: wat betekent het? Geen kunstenaar weet waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet. Hij weet niet wat het teken aan de wand is. Een kunstenaar doet dingen omdat hij niet anders kan. Dat klinkt heel banaal, maar zo is het.”

De tentoonstelling ‘Opwinding’ is vernoemd naar een emotie, die samenhangt met een bepaalde periode in uw leven: het eind van de jaren zestig tot en met het midden van de jaren tachtig. Wat maakte die tijd zo bijzonder?

„Wat toen is opengebroken in de kunst – en het begon met Joseph Beuys, Andy Warhol, de hele conceptuele kunst –, is vergelijkbaar met het begin van de Renaissance: Masaccio, Uccello, Jan van Eyck. Zij gaven een heel nieuw perspectief op de werkelijkheid. Datzelfde wordt op deze tentoonstelling uitgedrukt. Alles wordt los en vrij, onafhankelijk van de dominante stroming van het modernisme en de Stijl. Mensen denken altijd dat ik alleen maar trofeeën verzamelde, maar dat is niks voor mij. Ik kocht in die jaren bijvoorbeeld Robert Mangold, niet omdat ik hem kende maar omdat ik dacht: ‘Godverdomme, hier begrijp ik helemaal niks van.’ Ik voelde dat zijn werk iets ging worden.”

In 1975 werd u als jongste directeur ooit aangesteld bij het Van Abbemuseum. U had geen noemenswaardige ervaring in het maken van tentoonstellingen.

„Klopt. Ik was 32 jaar oud. Ik wist niks en ik kon niks.”

Dat klinkt koket.

„Ik kwam van de universiteit. Ik was een mislukte dichter die het liefst wilde zingen. Helaas kan ik niet zingen.”

Twijfelde u ooit?

„Nee, nooit. Ik leed niet aan bescheidenheid. Toen niet. Dat verandert als je ouder wordt. In 1968 schreef ik in vier maanden een boek over Rembrandt. Ik vond dat een makkie. Nu ben ik urenlang bezig met de vraag of ik moet schrijven: ‘Het zwart ruist’ of ‘Ruist het zwart’? Dàt het zwart ruist, weet ik zeker. Maar hoe je dat opschrijft, vind ik hondsmoeilijk.

„Toen ik solliciteerde, was er meteen oppositie. Mijn tegenkandidaat in het Van Abbe was Frans Haks. De museale staf was voor Frans, de werkmensen voor mij. Ik ging naar het stadhuis op sollicitatie. Daar zei men: ‘Meneer Fuchs, de staf is tegen uw komst. Wat vindt u daar nu van?’ ‘Dat is prima’, zei ik, ‘als de werkmensen maar voor me zijn. Want wat de werkmensen kunnen, kan ik niet. Maar wat die staf kan, kan ik ook – beter zelfs’.”

Hoe vanzelfsprekend was het dat u als Rembrandt-kenner een museum voor moderne kunst ging leiden?

„Ik studeerde weliswaar af op Rembrandt, maar ik schreef al vanaf begin jaren zestig voor het Eindhovens Dagblad en later voor De Gids over levende kunstenaars. Toen ik afstudeerde in Leiden, zei mijn hoogleraar Henri van de Waal: ‘Je moet maar blijven.’ Zo hoefde ik niet in militaire dienst. ‘Maar wat moet ik dan doen?’ vroeg ik hem, want ik had echt geen idee. ‘Ga jij maar schrijfoefeningen doen met de studenten’, zei Van de Waal. Hij koesterde het adagium: je moet kunnen beschrijven wat je ziet. Anders bestaat het niet. Dus ging ik schrijflessen geven, en blijkbaar met succes want een jaar later vroeg Van de Waal me om ook colleges te geven. Opnieuw zei ik: ‘Maar waarover dan?’ ‘Oh, verzin maar wat’, antwoordde hij. Ik deed van alles en nog wat. De ene week gaf ik een college over Rembrandt, de week daarop over Romaanse kunst, dan weer moderne kunst. Ik was een generalist, en dat ben ik altijd gebleven. Godzijdank.”

In Leiden bezocht u ook voor het eerst het atelier van een kunstenaar.

„Ja, in mijn tweede jaar leerde ik de schilder Kees Buurman kennen. Ik kwam in zijn atelier – en dat veranderde mijn leven. Ik zag dat een schilderij iets anders was dan een plaatje in een boek. In die oude kunstgeschiedenisboeken waren alle foto’s zwart-wit, even groot, met zo’n zwart lijntje eromheen. Bij Buurman zag ik dat schilderijen groot konden zijn, klein, onaf en omgedraaid konden staan – toen begreep ik pas echt dat een schilderij iets anders was dan een plaatje. Een schilder begint met niks. Dat vergeten mensen vaak. Mensen denken dat kunstenaars een gedachte hebben en die gedachte dan op papier gaan schetsen of gaan schilderen. Zo werkt het helemaal niet. Als je moet schrijven, dan hang je zo’n beetje boven je boeken. Mijn vrouw (de in 2014 overleden vertaalster Nelleke van Maaren; LtB) zei dan: ‘Moet je niet eens wat gaan doen?’ ‘Jaja’, zei ik dan gauw, ‘ik maak aantekeningen.’ Maar je weet: da’s flauwekul. Aantekeningen maak je wel, maar als je echt gaat schrijven, gooi je ze allemaal weg. Je kijkt er nooit meer naar. Ik maak aantekeningen alleen maar uit gêne dat ik niks aan het doen ben.”

Stilte.

„Ik moet veel uit het raam kijken, heb ik gemerkt. Dat geeft me ideeën. In Eindhoven zeiden sommige mensen op het stadhuis: ‘Die Fuchs, die zit maar een beetje niks te doen.’ De gemeentesecretaris verdedigde me altijd: ‘Fuchs moeten we uit het raam laten kijken – dat kan hij het beste’.’

Van de Waal ging dood in 1972 . U was zijn gedoodverfde opvolger.

„Ja, ik heb wel gesolliciteerd maar ik werd niet aangenomen. Toen dacht ik: ‘Ik ga weg’. En juist op dat moment stond er een advertentie in de krant dat ze een directeur zochten bij het Van Abbe.”

Het Van Abbemuseum was uw glorietijd. U excelleerde met spraakmakende solo-tentoonstellingen met bijzondere catalogi van kunstenaars die nog maar zelden in Nederland te zien waren geweest: Buren, Gilbert & George, Lawrence Weiner, Kosuth. Iedereen kwam naar het Van Abbe.

„Onder mijn voorganger Leering had het Van Abbe zich richting de straat bewogen – maatschappelijk geëngageerde tentoonstellingen die het straatgewoel binnen het museum moesten trekken. Dat vond ik maar niks. Het museum moet terug naar de autonomie van de eigentijdse kunst: dat was voor mij aanvankelijk de minimal art en de conceptuele kunst, en later de Duitsers: Penck, Lüpertz, Baselitz.

„Het was een romantische tijd. Iedereen was arm en eager. Onder Leering was het hele tentoonstellingsbudget uitgeput, dus ik deed het met mijn vrienden: Buren had in mijn Leidse tijd nog bij me thuis gelogeerd met zijn kinderen. Weiner kende ik goed, evenals Sol Lewitt.”

Programmeerde u volgens een bepaald idee of verliep alles puur intuïtief?

„Het ging over de vrijmaking van de kunst. Dingen raakten los van een stramien. Het stramien van de Stijl. Dat was de opwinding die ik voelde. Eindhoven was in die zin echt de beste tijd. Alles kon. Alles lukte.”

Hoe kwam het dat u in 1982 de Documenta in Kassel mocht gaan leiden?

„Ik werd gevraagd om plaats te nemen in de sollicitatiecommissie. Kandidaat was Tilman Osterwold, directeur van de Kunstverein in Stuttgart. Osterwold hield een referaat over zijn plannen en de dag erna vergaderden we daarover. Ik schijn gezegd te hebben dat ik de Documenta anders zou aanpakken. ‘Hoe dan?’ vroeg de voorzitter. Ik legde uit waarom ik het verhaal van Oost en West, van de abstracte, Amerikaanse kunst en de Midden-Europese kunst belangrijk vond. In Osterwolds voorstel zaten vooral Amerikanen. Ik zei: ‘Het is onmogelijk dat er 110 keer meer kunstenaars in Amerika wonen dan in Duitsland.’ Iedereen hoorde me aan, en toen zei de voorzitter: ‘Waarom maak jij eigenlijk de Documenta niet?’”

U dacht niet: dit is een grap. Ik zit in een sollicitatiecommissie, brand de kandidaat af en ga vervolgens zelf de Documenta leiden?

„Nee. Ik was ambitieus. Dingen gingen toen zo. Je zat met mensen bij elkaar die elkaar kenden. Zo klein was de wereld.

„Ik woonde zo’n drie jaar in Kassel. Met mijn goede vriend tentoonstellingsmaker Johannes Gachnang en Walter Nikkels deelde ik een appartement. Johannes was alleen, ik had net ruzie met mijn vrouw – die was er for the time being met een architect vandoor – en Walter Nikkels lag in scheiding. We sliepen op matrassen op de vloer. Johannes kon risotto maken. Ik zorgde voor de drank. En Walter deed iets met sla.”

Uw vrouw was er dan weliswaar vandoor toen, maar ze kwam ook weer terug. U bent bijna vijftig jaar getrouwd geweest. In 2014 stierf zij. Dat moet een ongelooflijke schok zijn geweest.

„Dat is verschrikkelijk ja. Alles verandert onbeschrijflijk. Een heleboel dingen worden totaal onbelangrijk. De tentoonstelling nu heeft in die zin ook iets therapeutisch: ik denk terug aan alles wat we samen hebben meegemaakt. We zijn getrouwd toen we in Leiden woonden. Ik ging schrijven en zij vertaalde. Ze had een geweldig talent om met kunstenaars om te gaan. En ze is natuurlijk altijd door mij overal naartoe meegesleept. Daarbij bleef ze altijd zelfstandig. Als we samen naar een diner gingen of op bezoek bij mensen, dan moest ze per se haar eigen sleutel hebben. ‘Ik heb toch een sleutel’, zei ik dan. Nee, je wist maar nooit – misschien wilde ze eerder naar huis of misschien kwam ze wel nooit meer terug. Zo was het.”

Leeft u nu alleen?

„Ik heb een werkster. Die komt af en toe. En voor de rest doe ik het alleen. Ik mis mijn vrouw ontzettend. En dat missen is heel simpel: ik kan niet meer met haar praten over dat ik met jou vanmiddag heb gesproken. Ik kan haar niet meer opbellen. Als ik thuis eet, doe ik dat aan het aanrecht. Een boterham met een ei – iets eenvoudigs. En als ik uitga, dan steek ik eerst het licht aan op haar werkkamer. Zodat, als ik weer thuiskom, het licht bij haar brandt.”