Het Holocaust-monument: groot groter grotesk

Het Holocaust Namenmonument moest een ‘intieme ervaring’ worden, maar met zijn kolossale proporties is het „anoniem en grotesk”, schrijft Herman Vuijsje

Klein monument, zo heet de dichtbundel die Anneke Hemrika in 1985 publiceerde over het lot van haar Joodse vrienden in de oorlog. Een van hen was haar hartsvriendin Lotte, die zij in juli 1942 de straat zag uitlopen, om nooit terug te keren. Het is een klein boekje, dun en simpel. En een van de aangrijpendste oorlogsgetuigenissen die ik ken.

Nederland kent ook een aantal ruimtelijke oorlogsmonumenten van bescheiden omvang die een onvergetelijke indruk maken. Het Achterhuis in Amsterdam. Jan Wolkers’ Spiegelmonument in het Wertheimpark. De wand met familienamen in de Hollandsche Schouwburg, even verderop. Het monument van Ralph Prins in kamp Westerbork, met de omhoog gebogen spoorrails. In Berlijn herinnert een tafel met een omgevallen stoel aan het wegvoeren van de Joodse bevolking. Langs de Moldau in Praag staan schoenen zonder mensen erin.

En nu krijgt Amsterdam op aandringen van het Auschwitz Comité een Groot Monument, het monument der monumenten, het definitieve en alles overtreffende Holocaust Namenmonument, een paar honderd blauwgrijs betonnen meters lang, en bijna vijf meter hoog. Op 22 juni moet de gemeenteraad een beslissing nemen.

„Ik wilde een intieme menselijke ervaring creëren”, lichtte Daniel Libeskind – architect van onder andere het Joods Museum in Berlijn – toe bij de onthulling van de maquette. Zoals bekend dachten de omwonenden van het Wertheimpark, waar het monument aanvankelijk gepland was, daar anders over. Afgelopen week heeft de gemeente in arren moede haar oog laten vallen op een plantsoen aan het begin van de Weesperstraat.

Handig: buren die kunnen protesteren, heb je daar niet. De Weesperstraat is sinds de oorlog kaalgeslagen. Onpersoonlijke kantoorkolossen namen iedere herinnering weg aan het Joodse leven dat daar bloeide. Dan kan dat monument er ook nog wel bij, moeten burgemeester en wethouders hebben gedacht.

Dat Libeskinds megastructuur juist op deze plek zou verrijzen, zou op een bepaalde manier wel toepasselijk zijn – maar wel op een heel andere manier dan de bedoeling is. Want op deze plek staat nu al een gedenkteken, het Monument van Joodse Erkentelijkheid. Wat wordt hier herdacht?

Officieel betuigde de Joodse gemeenschap hiermee haar dankbaarheid jegens de Amsterdammers die in de oorlog joden redden. Het monument werd in 1950 onthuld aan het Weesperplein en werd in 1968 naar hier verplaatst vanwege de aanleg van de metro.

De gedachte dat het Amsterdamse oorlogsverleden aanleiding gaf tot Joodse dankbaarheid, paste bij de periode kort na de oorlog waarin de mythe van ‘Nederland verzetsland’ bloeide. Over de ware aard van de gebeurtenissen werd toen gezwegen – ook in Joodse kring, waar men maar liever niet te veel met zijn gevoelens naar buiten kwam, uit angst om ‘risjes te maken’, antisemitisme op te roepen.

Later werd deze mythe in toenemende mate als beschamend ervaren. Vanaf de jaren zestig werd de vernietiging van de Joden het centrale thema van de oorlogsherinnering. Kwesties van passiviteit en collaboratie kwamen in het brandpunt van de aandacht te staan. Die mentaliteitsverandering werkte ook door in de herinneringscultuur. Zo werden alle Weesperstraatbruggen over de grachten vernoemd naar prominente Joodse stadgenoten, onder wie twee rabbijnen, L.H. Sarlouis en Meijer de Hondt, die in Polen werden vermoord.

Het erkentelijkheidsmonument werd ook om deze reden verbannen naar de obscure plek terzijde van de kaalgeslagen Weesperstraat. Sindsdien staat het daar, onopgemerkt en met zichzelf verlegen, als een gedenkteken, niet van wat er in de oorlog gebeurde, maar van de onwaarachtigheid waarmee die gebeurtenissen aanvankelijk werden omkleed.

Dat die onwaarachtigheid nu is overwonnen, stemt tot voldoening, maar we moeten oppassen dat we niet doorslaan naar het andere uiterste door het toevoegen van steeds nieuwe monumenten van schuld en boete. In en rond de vroegere Jodenhoek vinden degenen die de vermoorde stadgenoten willen gedenken een waaier aan mogelijkheden, met als laatste het zojuist geopende Nationaal Holocaust Museum tegenover de Hollandsche Schouwburg.

We moeten niet doorslaan door steeds met nieuwe monumenten van schuld en boete te komen

Met de komst van het Libeskind-monument zou die plek aan de Weesperstraat opnieuw het schouwtoneel worden van de ‘tijdgeest’. Net als het dankbaarheidsmonument, dat ervoor zou moeten wijken, zou het een monument zijn van de manier waarop met de oorlogsherinnering wordt omgesprongen. In onze tijd niet door het verleden te verdonkeremanen, maar door keer op keer, en in steeds grotesker vormen, het schuldbesef levend te willen houden.

Steeds moeten vorige herinneringstekens worden overtroffen, in een soort nooit eindigende Wiedergutmachung. Uiteindelijk kunnen we net zo goed de hele vroegere Jodenhoek onder een stolp zetten.

Maar zo’n stolp is helemaal niet nodig. In de eerste plaats omdat de Joodse gemeenschap daar niet om vraagt; het Auschwitz Comité vertegenwoordigt niemand behalve zichzelf. Maar ook omdat de buurt al op een andere, minder overdonderende, manier doortrokken is van de oorlogsherinnering. Net om de hoek van die plek aan de Weesperstraat hebben bewoners in 2013 het monument ‘Schaduwkade’ onthuld. Aan de Nieuwe Keizersgracht tussen Amstel en Weesperstraat zijn bordjes met de namen van weggevoerde bewoners aangebracht. De initiatiefnemers willen deze bewoners daarmee gedenken door hun namen terug naar huis te brengen. Alleen op dit korte stukje kade zijn het er al meer dan tweehonderd.

Hiermee wordt recht gedaan aan een andere uitspraak die Libeskind deed bij de onthulling van zijn maquette: het moest een monument worden ‘waar je de namen kunt aanraken en lezen en waar je de intimiteit voelt’. Zo’n monument is er dus al, niet imponerend maar klein, persoonlijk en zonder beton.

Op veel plekken dragen ook de Stolpersteine van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig hiertoe bij: messing tegels met de personalia van degenen die daar uit hun woningen zijn weggevoerd. Deze ‘struikelstenen’ zijn minstens zo confronterend als een groot monument. Ze doen recht aan de nagedachtenis van individuele mensen; voor wie het zien wil, maken zij de hele stad tot een plek van nagedachtenis.

Dit aspect kwam tot nu toe te weinig naar voren in het debat over het monument: niet alleen de plek waar het moet komen is problematisch, maar er is iets fundamenteel mis met het ontwerp. Met zijn kolossale proporties zou het op iedere plek in de Amsterdamse binnenstad detoneren. Ten opzichte van de omgeving – het zou de definitieve doodklap zijn voor de ontvolkte Weesperstraat – maar ook ten opzichte van de herinnering aan degenen die worden herdacht.

Want wat is het een primitief idee dat de omvang van de misdaad herdacht zou moeten worden in een even megalomane vormentaal. Alsof die vormen daaraan in de verste verte recht zouden kunnen doen. De doden van de kampen waren miljoenen malen één individu, het is al vaak gezegd. Ze werden niet alleen vermoord, maar ook van hun individualiteit beroofd. Wie is ermee gediend dat we hen opnieuw van hun menselijkheid ontdoen en hun nagedachtenis laten opgaan in anonieme, massale en groteske symbolen?

‘Als we ergens anders heen moeten gaan, nemen we het Spiegelmonument mee.” Dat zei Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, vorig jaar in Het Parool naar aanleiding van de bezwaren van de omwonenden van het Wertheimpark. Ook de urn met as uit Auschwitz die daar rust zou mee moeten. Wat was zijn beweegreden? De nagedachtenis van de doden om wie het allemaal gaat?

Het plan van Libeskind is een speelbal geworden in een onverkwikkelijke belangenstrijd die met de oorspronkelijke bedoeling niets meer te maken heeft.

De Amsterdamse burgemeester Van der Laan liet zich in een cynische bui ontvallen te hopen dat de verschillende betrokken instanties „reclame voor elkaars namenlijsten zullen gaan maken”.

Het zit er niet in. De strijd begint langzamerhand te lijken op de wedloop tussen Oom Dagobert en de maharadja van Hoedoejoestan in een beroemd Donald Duckverhaal. Beide rijkaards willen het grootste standbeeld neerzetten van Cornelis Prul, de stichter van Duckstad. Ieder groter beeld wordt door de ander overtroefd met een nóg groter beeld. Het draait erop uit dat de stad compleet onleefbaar wordt, overschaduwd door al dat beeldgeweld.