De voorjaarsnatuur is een explosie van erotiek

De voorjaarsnatuur is een explosie van erotiek, dat geldt voor een terras evenzeer als voor een bloemperk, constateert Kester Freriks. Hij leest, kijkt en vergelijkt.

Illustratie: Jenna Arts

Naast mij op een van de terrassen van het Amsterdamse Vondelpark strijken twee meisjes neer die zich hebben uitgedost als bloemen. Ze zijn kleurrijk gekleed in lichte jurken en dragen sieraden met bloemmotieven, hun lippen zijn felrood, in het haar steken wat madeliefjes.

Verderop, in de perken van het stadspark, kleurt het rood, geel en wit van de echte bloemen. Van afstand zie ik de bijen en vlinders eromheen vliegen, op zoek naar nectar. De bloemenmeisjes trekken al snel de aandacht van jongens. „Wordt het vandaag nog iets?” hoor ik een van de jongens net iets te luid zeggen. Zijn blik gaat doelgericht naar een van de meisjes. En de meisjes kijken terug.

Ik houd van aanschouwelijk onderricht en neem twee boeken mee naar het terras. Het eerste is Vergilius’ bijentuin, een verhandeling over bloemen en bijen die deze Italiaanse boerenzoon 2.000 jaar geleden schreef. In een nieuwe sprankelende vertaling lees ik over honing als ‘hemels geschenk’, over de ‘gouden zon die de winter terugdrijft’ en de ‘opgewonden stemming en die felle strijdlust’ van de bijen die zich in ‘geurende tuinen’ laten lokken met ‘bonte bloemen’.

‘Stadsparken en terrassen zijn als bloemenvelden vol mensenbijen. Flirt brengt hen tot elkaar, en daartoe zijn alle middelen geoorloofd.’

Een ander ‘bijen- en bloemenboek’ heet Niet zonder elkaar. Bloemen en insecten. Het werd vorig jaar bekroond met de Jan Wolkers Prijs. En terecht. Het bevat enerverende, boeiende passages over de onverholen erotiek tussen bloemen en insecten. De voorjaarsnatuur in de voorjaarszon is een explosie van erotiek, dat geldt voor een terras evenzeer als voor een bloemperk.

Vanaf mijn plek op het terras zie ik wat ik lees, niet in de dierenwereld maar in de mensenwereld. Bijvoorbeeld over de „lentetijd die leven opwekt in alle lichamen”. Dat bloemenseksualiteit bestaat, was in het kerkelijke Europa eeuwenlang taboe. Jongedames zouden geschokt en moreel gekwetst zijn, wisten kerkelijke autoriteiten, als die zo fragiel ogende meeldraden niets anders zijn dan het mannelijke voortplantingsbeginsel. En de stamper het vrouwelijke.

Het fenomenale woord ‘rokjesdag’ is uitgevonden voor de mens. In de voorjaarszon tonen vrouwen hun blote benen en dragen open bloesjes. Die dag had ook ‘bloesjesdag’ kunnen heten. Maar de natuur kent ook rokjesdag, sterker nog: wat voor de mens op bloesjesdag een grote hofmakerij is, is in de natuur op rokjesdag een groot schouwspel van bloembestuiving. Alles is seks en verleiding, concurrentie, strijd om de beste partner. Rokjesdag is een bruiloft tussen bloemen en bijen. En soms het begin van een bruiloft tussen mannen en vrouwen. Bloemen bloeien en mensen ook, ieder op zijn eigen manier. Niet elke vrouw wil alsmaar verleid worden of zendt verleidingssignalen uit als ze zich kleurrijk kleedt of parfum gebruikt, dat zou een oververhitte en onterechte visie zijn.

Het zijn net mensen, die bloemen

Maar wie geïnspireerd door het geheim van bloembestuiving in opperste lentestemming geraakt, vindt in de innigheid tussen bloemen en insecten tal van tot de verbeelding sprekende overeenkomsten. Stel de vraag waarom bloemen bloeien, en zo luidt het antwoordt: „Ze verschijnen in allerlei gewaden; hun seksuele leven is ongelofelijk gevarieerd, met partners van iedere denkbare soort; ze liefhebberen in verdovende middelen, vreemde geuren en oliën…” En: „Bloemen zijn zo het ‘bruiloftsorgaan’ van een plant.” Het zijn net mensen, die bloemen.

De Zweedse wetenschapper Carl Linnaeus choqueerde in 1729 behoudende kringen door de seksualiteit van planten te vergelijken met die van de mens. Hij schrijft over bloemen als ‘geslachtsorganen’, over bloemkelken als het ‘bruidsbed’ en de sensuele heerlijkheden van het bloemenbestaan. Is het bruidsbed met edele bedgordijnen gestoffeerd en met aangename geuren geparfumeerd, dan wordt het tijd „dat de bruidegom zijn geliefde bruid omhelst en haar zijn gaven offert”.

Het verhaal over bloemen en bijtjes is zo oud als de mensheid, ik weet niet of het nog onderwezen wordt op lagere scholen, maar dat neemt niet weg dat een verhandeling over de ‘bloem als verleidster’ en ‘hitsige mannelijke maagden’ onveranderd sensationeel is. Lees eens mee wat de paarsbloeiende harlekijnorchis in petto heeft: die „bedriegt en misleidt insecten om aan zijn gerief, bestuiving en bevruchting te komen”.

Een roos van vlees

De mens beschouwt bloemen als onschuldig en ze zouden dienen om te behagen als sierlijke decoratie van de natuur, maar dat is allerminst waar. Bloemen zijn met hun overdadige, soms ronduit wulpse bloei als ‘een roos van vlees’, zoals Wolkers het eens beeldend formuleerde. In de kern is alles simpel: voor zaadvorming is bestuiving nodig, dat betekent: het mannelijke stuifmeel moet terecht komen op vrouwelijke stampers. Mannelijk stuifmeel maakt een reis naar de vrouwelijke stamper met behulp van insecten. Bloemen moeten daartoe de insecten verleiden met geur en kleur, met zoete nectar die vaak verscholen zit in de schoot van de bloemkelk. Het zit zo, schrijft Niet zonder elkaar: „Insecten die in de diepe bloem nectar komen halen, raken op hun rug beplakt met stuifmeel, dat bij een volgend bloembezoek wordt afgestreken tegen een driekantig slipje onder aan de stempel.”

Eerst de kleur dan de geur

De verleidingszucht op mijn terras neemt toe. Ik verzin niets, maar met het bijen- en bloemenspel in gedachten neem ik meer waar dan ooit. Bijen nemen een verleidelijke bloem eerst waar door de kleur en pas daarna komt de geur. In de mensenwereld is dat net zo. Van afstand lokken rokjes-en bloesjeskleuren als rood, blauw, paars en wit. Van dichtbij moet de geur voor de ultieme verleiding zorgen. Bloemen trekken aandacht door zich te laten kussen door de wind, ofwel ze bewegen zacht heen en weer. Mannen laten zich niet onbetuigd in dit spel tussen de seksen. Ze meten zich stoer en luidruchtig gedrag aan, proberen indruk te maken. Sommigen tonen tatoeages, als om hun ruwheid te benadrukken in de veronderstelling dat vrouwen altijd vallen op de krachtigste man, zoals de strijd om bestaan het wil.

Zouden deze jonge mannen weten dat ze in een bloemkelk niets meer zijn dan die nietige meeldraden? Een van de jonge vrouwen verenigt alles in zich. Haar jurk is klaprozenrood, haar lippen verleidelijk gestift en een sieraad glinstert diep in haar decolleté, als om de blik van de man juist daar te vangen en te sturen. Bloemen, weet ik nu, hebben ook zulke sieraden, namelijk de ‘honingmerken’: dat zijn opvallende gekleurde vlekken of subtiele lijnen aan de binnenzijde van de bloemkelk. Hierlangs vinden insecten hun weg naar de zoete nectar.

De vrouw neemt een tube zonnecrème uit haar handtasje en smeert zich in, eerst haar schouders, dan armen, handen en tot slot haar blote benen. Het is alsof ze mannenogen vraagt een reis te maken over haar lichaam. Parfum van de zonnebalsem verspreidt zich over het terras. Als ze opstaat en wegloopt volgen de mannen haar. Ze is kleur en geur tegelijk. En daarom een en al verleiding. Sommige bijen bewegen zich met hun achterlijf als een ‘buikdanseres’ in een bloem. Ook zij beweegt zich dansant.

Deze bijenboeken zijn verslavend, niet alleen om alles over bloembestuiving te weten te komen maar vooral als spiegel voor het menselijke lenteleven. Nog één voorbeeld: planten hebben een afstandsprobleem, schrijft Niet zonder elkaar. Ze kunnen zich niet verplaatsen en hebben daarom een intermediair nodig als bij, hommel, vlinder. Maar mensen hebben ook een afstandsprobleem. Als je thuis blijft zitten tussen vier muren ben je net als een plant, en tref je nooit een geliefde. Vindt er geen bestuiving plaats. En dus geen nakroost, uiteindelijk de ultieme reden tot alle drift naar elkaar. Om het afstandsprobleem in de liefde te overbruggen zoeken mensen elkaar op. Stadsparken en terrassen zijn als bloemenvelden vol mensenbijen. Flirt brengt hen tot elkaar, en daartoe zijn alle middelen geoorloofd.