Column

Eichmann geloofde heilig in wat hij deed

Het zaallicht brandt nog als Max Aue, de SS’er die ons zal vertellen hoe hij steeds nauwer betrokken raakte bij de uitvoering van de Holocaust, zegt: iedereen hier zou onder dezelfde omstandigheden dezelfde beestachtige dingen hebben gedaan. Wie denkt dat dat niet zo is, kan nu weggaan. Het is even stil, niemand staat op. Ik vond het een goedkoop gebaar.

In de beschouwingen over De Welwillenden, zowel deze voorstelling als het gelijknamige boek van Jonathan Littell, zijn Hannah Arendt en ‘de banaliteit van het kwaad’ nooit ver weg. Arendt woonde het proces tegen Adolf Eichmann bij, in Jeruzalem, en verbaasde zich over diens alledaagsheid, zijn gebrek aan duivelse trekken. Gewoon een overijverige bureaucraat die alleen geïnteresseerd was in administratieve processen, een sukkel die nooit had nagedacht over de morele consequenties van zijn werk. Het kwaad is eigenlijk heel banaal, concludeerde ze.

Sinds de eerste afbeeldingen van de duivel kennen wij het kwaad als een karikatuur, een rood gedrocht met hoorns. Komen wij het kwaad dan zelf tegen, in het nu, in een goed verlichte rechtszaal, gekleed in een maatpak, dan valt het allicht tegen. Waar zijn de hoeven, de hoorns, de gevorkte staart?

Tot Arendts leedwezen werd haar constatering verbasterd tot: ‘Er schuilt een Eichmann in ons allemaal’, en een intellectueel cliché was geboren. Inmiddels viert het zijn vijftigjarig bestaan, onder andere als Leitmotiv in De Welwillenden. Het typeert de enormiteit van de Holocaust: we zijn nog steeds in paniek.

„Dit nooit weer!”

„Ja, maar dit zijn wíj!”

„Eh... wíj nooit weer!?”

Maar zijn wij dit? Zijn wij allemaal een potentiële Eichmann?

Zag Arendt het wel goed? Waarschijnlijk niet. Dat Eichmann zich tijdens zijn proces voordeed als een naïeve, willoze bureaucraat was waarschijnlijk gewoon tactiek, een poging om te redden wat er te redden viel. In werkelijkheid was hij een volbloed fanaticus. Van eind jaren vijftig tot begin jaren zestig legde de Nederlandse ex-nazi Willem Sassen in Argentinië urenlange gesprekken met Eichmann vast. De tapes werden onlangs teruggevonden, de historica Bettina Stangneth schreef er Eichmann Before Jerusalem (2014) over. Hier ontmoeten wij een heel andere – en volgens Stangneth de ware – Eichmann: een verknipte persoonlijkheid met een diep geloof in de nazistische

Weltanschauung, het antisemitisme en de ‘sacrale wet’ van etnische overleving ten koste van alles.

Sassen maakte deel uit van een Argentijnse kliek van oud-nazi’s die de moord op de Joden probeerden uit te wissen. Hij wilde van Eichmann juist een ontkennende getuigenis, maar in plaats daarvan ging de oude Obersturmbannführer opscheppen over zijn ‘creatieve’ wapenfeiten en hoe hij steeds meer Joden in steeds kortere tijd had weten op te ruimen. Sassen moest zweren dat de tapes tot na Eichmanns dood verborgen bleven, en zijn nabestaanden deden een halfhartige poging ze voor altijd zoek te maken. Die gelukkig mislukte.

Terwijl je Eichmann zo bezig hoort, zie je die willoze boekhouder in het verdachtenbankje in Jeruzalem, de ‘clown’ die zich volgens Arendt „niet realiseerde wat hij deed”, langzaam alsnog hoeven, hoorntjes en een gevorkte staart krijgen. Excuus, mevrouw Arendt, maar zo banaal was het kwaad niet. Eichmann wist exact wat hij deed, en hij geloofde er heilig in.

Het is alsof de schrijver en toneelbewerkers van De Welwillenden Stangneths boek nog moeten lezen. Zodat die vrome confrontatie met het publiek aan het begin vooral illustreerde dat ook de goedheid heel banaal kan zijn.