De tippelmoordenaar

In de jaren tachtig en negentig was in Rotterdam een seriemoordenaar actief die nooit werd gepakt. Net als Jack the Ripper zocht hij zijn slachtoffers onder prostituees. Een coldcaseteam zoekt al vijf jaar naar de dader.

‘Lieve papa, mama, Christel, Manuel en Frank. Hier een briefje van Jeanette. Hoe gaat het met jullie? Met mij gaat het niet zo goed. Mama, ik moet weg uit Rotterdam, want het is een veel te harde stad. Lieve papa en mama, schrik niet, maar ik weeg nog maar 48 kilo. Mama, wat moet ik doen? Ik weet het niet meer. Ik loop bijna iedere dag met gedachten om een eind aan mijn leven te maken. Ik weet dat ik jullie er veel verdriet mee doe. Maar mama, ik weet geen uitweg meer.”

Het is juni 1999 als Jeanette Sip dit briefje schrijft. Ze spuit al elf jaar heroïne. Afwisselend tippelt ze in Rotterdam, Utrecht en Groningen de kosten voor haar verslaving bij elkaar. Jeanette Sip is een verslaafde prostituee. Ze is ook een zus en een dochter die trouw terugkeert naar Nijmegen als er een verjaardag te vieren valt. Ze wilde kapster worden, tot ze op 16-jarige leeftijd een vriendje kreeg dat heroïne dealde.

Op 13 juni 1999 eindigt Jeanettes leven. In de vroege ochtend vindt een toevallige voorbijganger haar lichaam, langs het spoor. Het is een gruwelijke vondst. De dader heeft haar met een slagersmes zo vaak en met zoveel kracht in haar borst en nek gestoken, dat ze bijna onthoofd is. Een dag later komt Jeanettes vader naar Rotterdam om zijn dochter te identificeren. Ze ligt in het mortuarium, onder een dekzeil, lekkend van het ijs. Over wat hij daar ziet, over wat zijn dochter aangedaan is, kan hij nog steeds niet praten.

Anneke Gerrits, Jeanettes moeder, herinnert zich 14 juni 1999 scherp. „Ik was op mijn werk, toen mijn man, nu mijn ex, me belde. Hij had de politie aan de deur staan: of ze mochten binnenkomen, want onze dochter was dood gevonden. Ik sprong op de fiets naar huis en dacht: dit kan niet, het is niet waar. Thuis vertelden de agenten ons dat Jeanette vermoord was. Mijn man ging mee naar het mortuarium, alleen, want ik kon dat niet aan.”

Bij Jeanettes persoonlijke eigendommen treft Gerrits later naast een aansteker, heroïnepijp, buskaartje en een kwartje de geschreven noodkreet aan. Het besef dat Jeanette dat een paar dagen voor haar dood geschreven heeft, raakt haar nog altijd diep. „Jarenlang hadden we geknokt om Jeanette van haar verslaving af te krijgen, om haar weg te krijgen uit dat milieu. Uiteindelijk heb ik niks voor haar kunnen doen. Haar laatste uren was ze alleen.”

De moord op Jeanette Sip wordt niet opgelost. Hetzelfde geldt voor een aantal andere moorden op prostituees in de jaren tachtig en negentig in Rotterdam. In 2011 krijgt het coldcaseteam van de Rotterdamse recherche subsidie voor een groot onderzoek naar alle 85 onopgeloste moorden op prostituees in Nederland. In 2013 trekt het team de conclusie dat één man verantwoordelijk is voor vijf moorden in Rotterdam, waaronder die op Jeanette Sip. In de straten van Rotterdam heeft jarenlang, tot nu toe ongestraft, een seriemoordenaar rondgelopen.

Seriemoordenaars zijn zeldzaam in Nederland. De zaak is dus opmerkelijk. Toch leidt die nooit tot landelijke ophef, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij de Utrechtse serieverkrachter. Het verhaal van een bijna, maar niet helemaal, vergeten seriemoordenaar.

De combinatie van heroïne en prostitutie is vanaf de jaren zeventig voor grote steden een nauwelijks te beheersen probleem. John de Cloe, coördinator prostitutiebeleid bij de gemeente Rotterdam, kan zich nog herinneren hoe prostituees en aanverwanten vanuit Katendrecht de Maas overstaken en zich verspreidden. „Tot politiecommissaris Jaap de Leeuw in 1984 bij de G.J. de Jonghweg twee strepen trok op de kaart en tegen de prostituees zei: ‘Hiertussen mag je lopen. Als ik je daarbuiten zie, pak ik je op.’” Zo ontstaat een gedoogzone waar prostituees ongestraft harddrugs mogen bezitten en gebruiken. Dit schemergebied wordt de habitat van de slachtoffers van de Rotterdamse seriemoordenaar.

Niets anders dan verloedering

In steden als Groningen, Heerlen, Amsterdam en Utrecht vallen de gedoogzones rechtstreeks onder het gezag van de burgemeester. In het Rotterdam van burgemeester Bram Peper komt de verslavingsproblematiek op het bord van ‘projectwethouder’ Johan Henderson. „Omdat Peper er zijn vingers niet aan wilde branden”, zegt hij stellig. Henderson, PvdA’er en voormalig opbouwwerker, ziet niets dan verloedering en criminaliteit als hij op de zone gaat kijken. „Om het te controleren, faciliteerden we het”, zegt hij. „Het is er, dus kun je het maar beter in goede banen leiden. Zo konden we ook voor de zwaksten zorgen, want die waren toch al altijd de klos. Nou, niet bij ons.” Op de zone kunnen prostituees al terecht bij Keetje Tippel, een bouwkeet gerund door stichting De Bulldog. Ze kunnen er condooms, schone spuiten, soep en koffie krijgen en een arts bezoeken. Samen met de stichting stationeert Henderson een maatschappelijk werker op de zone om een oogje in het zeil te houden en de vrouwen een dagbesteding te geven.

Deze Piet ‘Popeye’ Kamper is een harde jongen, afkomstig van Zuid. Een havenarbeider en sportinstructeur die er eerder in geslaagd is de harde kern van de Feyenoordsupporters te beteugelen. Op de gedoogzone krijgt hij carte blanche.

„Dat hield in dat ik niet gearresteerd kon worden”, zegt hij. De ongebruikelijke constructie, op het randje van de wet, was volgens Henderson de enige mogelijkheid om nog iets van orde te bewaren. „Om de publieke opinie aan de kant van het gedoogbeleid te houden moesten we iemand aan de goeie kant hebben die af en toe een scheve schaats kon rijden. Anders was het afgelopen. En dat was gewoonweg geen optie. We hadden naar die meiden toe ook een verantwoordelijkheid.”

Kamper beschrijft de gedoogzone als een poel van ellende. „Meiden met gaten in de konen door de crack. Meiden die alles doen voor een shot. Het was mensonterend.” Hij vertelt over een meisje met een geamputeerd been, dat was ze kwijtgeraakt door de dope. „Op een nacht zie ik haar staan. Het was ijskoud, min vijftien, en er stopt een Mercedes voor haar met vier mannen erin. Ze zegt wat het kost, de mannen rijden weg. Ze blijven tot een uur of twee, drie rondjes rijden. Dat meisje gaat, leunend tegen een lantaarnpaal, steeds verder onderuit. Als ze bijna omvalt, stopt die Mercedes weer voor haar. ‘Vijf gulden’, hoor ik. Dat meisje stapt in en is de hele verdere nacht misbruikt, zegt ze later tegen mij. Voor vijf gulden. De volgende keer dat ik die Mercedes zag, heb ik die mannen eruit getrokken.”

De G.J. de Jonghweg geniet al gauw landelijke bekendheid vanwege de vooruitstrevende aanpak. Dat werkt als een magneet: uit het hele land komen heroïnehoeren en drugsdealers in Rotterdam hun zaken doen. Op het hoogtepunt tippelen er rond de 250 vrouwen. Kamper: „De vermoorde vrouwen heb ik zeker weten gezien als ze op de zone zijn geweest. Maar ik kan me hen niet meer voor de geest halen. Die moorden veroorzaakten ook niet zo heel veel ophef. Het was niet uitzonderlijk, tussen alles wat er gebeurde.”

De term ‘lustmoordenaar’

In de dagelijkse cyclus van spuiten, jatten en hoereren verdwijnt in november 1989 Mientje van Balkom. Ook deze 31-jarige vrouw, met een lieve, wat schuchtere oogopslag en lang blond haar, is een zware gebruiker.

Op de avond van 1 november kijkt Mientje bij vrienden de voetbalwedstrijd PSV-Steau Boekarest. Daarna vertrekt ze naar de zone. Om kwart over vijf ’s nachts is ze daar nog gezien. De volgende ochtend om 8.30 uur slaat een toevallige voorbijganger alarm: in de plantenbakken op het dak van metrostation Coolhaven ligt een dode vrouw. Het is Mientje, met bloot onderlijf, maar gedeeltelijk toegedekt met karton. In de kranten spreekt de politie van ‘een groot aantal messteken in de halsstreek’. Naast het lijk vindt de politie een knalgeel kartelmes: het moordwapen, naar men aanneemt. Haar rugzak is verdwenen, net als haar onderkleding. Er verschijnen een driekolommer en een paar kleine berichten in de lokale kranten. Al snel is het weer business as usual op de tippelzone.

Tien maanden later verdwijnt Dini Stijger, een zwerver van 45 jaar. In de vroege middag van 9 september 1990 wordt haar eveneens deels ontklede, deels met kranten en karton toegedekte lijk gevonden in een nis onder de Willemsbrug, een plek waar ze vaker sliep. Op haar vindt de politie sperma, en omdat Dini geen heroïnehoer is, is dat een belangrijk spoor. Vlakbij vindt de politie een kromme 12, een vil- en uitbeenmes dat in slachterijen wordt gebruikt.

Acht maanden later, weer een lijk. Francis Garcia-Hofland, 22 jaar, ernstig verslaafd, soms tippelend om aan geld te komen, meestal rondhangend op Perron Nul, waar ze jan en alleman berooft. Ze sterft op 19 juni 1991. Haar lijk wordt badend in haar eigen bloed aangetroffen langs de Westzeedijk. De dader heeft haar bijna onthoofd. Haar onderlijf is ontbloot, haar groengrijze leren broek is weg.

Dat het in deze drie zaken weleens om één dader kan gaan, wordt voor hoofdinspecteur Machiel Oeloff, leider van de Recherche Assistentie Groep in de zaak-Hofland, al snel een belangrijke onderzoekslijn. „Dit waren geen zaken waarbij het toevallig een keer uit de hand was gelopen. Dat zag je ook aan de agressie waarmee de dader ze had neergestoken.” De politie besluit de drie zaken gezamenlijk te presenteren in het tv-programma Opsporing Verzocht en laat daar de term ‘lustmoordenaar’ vallen.

Junks in de voortuin

De uitzending doet weinig stof opwaaien, zelfs niet in de wijk waar de moorden zijn gepleegd. „Die moorden waren een ver-van-ons-bedshow”, zegt bewoner Hans Flier, die eind jaren tachtig een monumentaal herenhuis had gekocht aan de Heemraadssingel, vlakbij de tippelzone. „Contact met die verslaafde meisjes was er niet. Dus ook niet hierover.”

De bewoners hebben wel andere dingen aan hun hoofd. In de tijd van de moord op Garcia-Hofland staat bij Flier en zijn partner Wilma Degeling standaard een riek naast de voordeur. „Om junks in de voortuin, die hun injectienaald als wapen hanteerden, op afstand te houden. We hadden ook een emmer water op ons balkon staan, zodat we prostituees met een klant konden stoppen in hun bezigheden.”

Hun twee kinderen, kleuters, leren ze in een rechte lijn door de voortuin naar de voordeur te lopen, om de vieze naalden, gebruikte condooms en uitwerpselen te ontwijken. Degeling krijgt regelmatig de vraag hoe duur ze is, zelfs als ze haar kinderen voor- en achterop de fiets heeft zitten.

De overlast neemt toe tot die hun wereld domineert: brutale junks op de stoep, gewapend met een mes of een pistool, overvallen op straat, angst om een ziekte op te lopen door vuile spuiten. Flier: „We kregen het gevoel belegerd te zijn in ons eigen huis. Het was geen moment stil op straat, ook overdag niet.”

Terwijl oud-wethouder Henderson zijn drugsbeleid als humaan bestempelt, zien de twee wijkbewoners dat heel anders. „De gemeente benaderde de tippelzone als een gezondheidszorgprobleem, terwijl wij een openbare-ordeprobleem hadden”, zegt Flier. „Onder het mom van hulpverlening heeft de gemeente een vorm van slavernij gefaciliteerd. Die zogenaamd goede bedoelingen trokken een spoor van ellende.”

Hoofdinspecteur Oeloff moet intussen knokken voor meer recherchetijd. „Geld was niet voorhanden en de druk was enorm. Als we niet binnen twee weken zicht op een dader hadden, moest je wel met een heel goed verhaal komen om door te kunnen zoeken.” Het onderzoek wordt ook gehinderd door de schimmigheid van de scene. „Getuigenverklaringen waren moeilijk te krijgen, of bleken onbetrouwbaar. Het is moeilijk de beweringen te checken van verslaafden die geen enkel besef van tijd hebben.”

Onderzoek mislukt

Toch kwam er één verdachte voorbij bij wie een heleboel leek te kloppen. „Maar dat is op zichzelf geen bewijs”, zegt Oeloff. „Uiteindelijk wisten we hem niet eens in Rotterdam te plaatsen, laat staan op de plaatsen delict.” Na zes weken onderzoek gooit de Recherche Assistentie Groep noodgedwongen de handdoek in de ring. Andere zaken wachten, en alle lijnen lopen dood. „Het was op. Al hadden we nog wel een technische analyse willen doen, door de drie zaken op detailniveau met elkaar te vergelijken. Maar dat was qua capaciteit niet voor elkaar te krijgen. Dus ja, je kunt zeggen dat ons onderzoek mislukt is.”

Dat steekt, ook na 25 jaar. „Ik werk nu dertig jaar bij de politie. Er zijn maar twee zaken die ik in mijn tijd graag afgerond zou willen zien. Daar is dit onderzoek er een van.” Het is nog niet te laat: moord verjaart niet.

Coldcaseteam

Het coldcaseteam is nu vijf jaar bezig. Sinds 2013 gaat het team uit van een seriemoordenaar die niet alleen Mientje van Balkom, Dini Stijger en Francis Garcia-Hofland heeft vermoord, maar ook – in april 1989 – Beppie Michels en tien jaar later Jeanette Sip. Bij alle vijf zijn soortgelijke seksuele handelingen verricht, hun lichamen zijn afgedekt met op de vindplaats aangetroffen materialen en bij vier van hen werd de keel doorgesneden.

De forensische sporen die destijds zijn veiliggesteld door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn door de DNA-databank gehaald, als het coldcaseteam dat nodig achtte. Tot nu toe zonder resultaat. Dat kan nog veranderen, want lang niet alle sporen zijn toen bij het NFI terechtgekomen.

Het vinden van betrouwbare getuigen is met het verstrijken van de tijd alleen maar lastiger geworden. „Niemand is vrij van belangen in deze wereld”, zegt leider René Bergwerff van het coldcaseteam. „Daar komt bij dat velen dood of ziek zijn. En laten we wel wezen, en ik zeg dit met alle respect: het gaat om prostituees. Als we sperma vinden, ja, zeg het maar. Is het van een klant, van welke dan, heeft ze er die nacht meerdere gehad? Alles moeten we dubbel kritisch bekijken.”

„Was het een vooropgezet plan om ze te vermoorden? Of zag de moordenaar de gelegenheid als die zich voordeed?” zegt Bergwerff. „Op basis van het onderzoek tot nu toe heeft het er alle schijn van dat het dat eerste is, dat hij berekenend te werk ging.”

Nog steeds loopt de dader mogelijk vrij rond. Hoe lang nog? Bergwerff zwijgt even. „Dit dossier behoort tot de dagelijkse werklast van zes rechercheurs. We zijn zo intensief bezig omdat we er vertrouwen in hebben dat we de dader gaan vinden. Als ik zou denken dat ik aan een dood paard trek, zou ik er niet al die mankracht en zoveel geld in stoppen.”

Voor Anneke Gerrits, moeder van Jeanette, is dat een troost. „Niemand had toen aandacht voor haar. Telkens als ik een update over de moord op Nicky Verstappen of Marianne Vaatstra voorbij zag komen, dacht ik: en mijn dochter dan? Wie zoekt voor haar naar gerechtigheid?”

Zus Christel Sip heeft de hoop al verloren. „De eerste paar jaar hadden we nog hoop. Maar hoe langer het duurt, hoe minder we horen van dat onderzoek, hoe meer we beseffen: het is niet realistisch dat het gaat lukken. Het zou geweldig zijn als ze de dader vinden en straffen. Maar verwachten doen we niks meer.”

Ook bijna zeventien jaar na haar dood komt Jeanette nog dagelijks ter sprake in het gezin. „Ik probeer alleen aan de vrolijke dingen te denken”, zegt Anneke, „hoewel dat niet altijd lukt. Want met het idee dat haar moordenaar vrij rondloopt, dat ik die misschien ken, misschien zijn hand geschud heb, kan ik heel moeilijk leven.”