De onverwachte drone-aanval op Petten

Oud-directeur Frans Saris van energie-instituut ECN noemt de kernreactor in Petten onveilig en onnodig – in felle bewoordingen. Maar de meeste van zijn aantijgingen blijken niet te kloppen.

De reactor in Petten. Foto ANP

De onderzoeksreactor HFR bij Petten is een gevaar voor zijn omgeving. Er staan, in strijd met de wet, massa’s nucleair afval onveilig opgeslagen, de veiligheidscultuur van reactorbeheerder NRG deugt niet en de reactor zelf dient geen enkel wetenschappelijk doel meer. Er worden alleen maar medische isotopen gemaakt. Die zijn goedkoper en veiliger in cyclotrons te produceren. De reactor moet dicht.

Veertien jaar na zijn rumoerige vertrek als directeur bij het centrum voor energieonderzoek ECN, dat NRG onder zijn vleugels heeft, trok fysicus en oud-hoogleraar Frans Saris deze maand van leer tegen de nucleaire puinhoop Petten. Aangespoord door vrienden en kennissen en met een half oog op een reguliere commissievergadering over nucleaire veiligheid in de Tweede Kamer.

Saris schreef brieven aan de twee betrokken ministeries en aan de Onderzoeksraad voor Veiligheid, diende een formeel bezwaarschrift in bij de nucleaire toezichthouder ANVS, belde het radioprogramma Argos, ontving EenVandaag en sprak een verontruste dagbladjournalist. En hij vertrok weer naar New York, want daar woont hij.

Argos diste zijn gerecht smakelijk op. Maar de vraag of het allemaal wáár was wat er werd beweerd (na te lezen op de site franswsaris.nl) kwam niet erg aan bod. Die vraag is afgelopen week voorgelegd aan deskundigen van de NRG, aan toezichthouder ANVS en aan de Covra, de organisatie die is aangewezen voor de opslag van al het Nederlandse nucleaire afval (tot de definitieve eindopberging).

Soms wat lekkage

Was het allemaal waar? Eén ding staat vast: de HFR is niet alleen een kleine, het is ook een oude reactor. Zij ging al in 1961 in bedrijf, kreeg weliswaar in 1984 een nieuw reactorvat maar heeft de afgelopen jaren toch het soort kleine gebreken vertoond die je kunt verwachten bij een oude installatie. Corrosie hier, een lasdefect daar, soms wat lekkage. De gebreken, ook de allerkleinste, moeten door de reactorbeheerder worden gemeld bij toezichthouder ANVS (de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming), die ze beoordeelt en maatregelen kan opleggen. Zij kan ‘handhavend’ optreden als zij vindt dat tekortkomingen te laat of niet conform de eisen in de vergunning worden gemeld. En zij kan de NRG onder ‘verscherpt toezicht’ plaatsen als zij incidenten te ernstig vindt of oordeelt dat de veiligheidscultuur onvoldoende is. Zij deed dat in 2012.

Jaarlijks rond de zomer publiceert de ANVS een overzicht van alle ‘ongewone gebeurtenissen’ bij Nederlandse nucleaire installaties die haar gemeld werden, dus ook die bij NRG. De incidenten krijgen een weging conform de INES-schaal die atoombureau IAEA opstelde. De schaal loopt van 1 tot 7, INES 1 is een ‘anomalie’ die wordt opgevangen door standaard-veiligheidsmaatregelen, INES 7 is een ‘Tsjernobyl’ of ‘Fukushima’. De meeste ongewone gebeurtenissen bij NRG scoren INES 0. In het moeilijke jaar 2013 waren er drie met een beoordeling INES 2. Het ernstigst was een probleem met een regelstaaf. Regelstaven zijn onmisbaar om een reactor snel te kunnen uitschakelen. Halverwege 2013 heeft NRG haar reactor stilgelegd om aan verbetering te kunnen werken.

Dat was niet voor het eerst natuurlijk want ook de genoemde gevallen van corrosie, lasdefecten en lekkage moesten worden hersteld en dat was vaak lastig. Het herstel wordt beoordeeld door de ANVS die zich vaak laat bijstaan door technische bureaus als GRS, Lloyd’s of Veritas (DNV). Of door deskundigen van atoombureau IAEA die sowieso geregeld in Petten zijn te vinden. Voor de zogenoemde INSARR-inspecties, waarbij installaties en procedures worden bekeken, en ook voor controle op de splijtstofboekhouding in het kader van het NPV-verdrag (proliferatie van kernwapens). De HFR, die aanvankelijk proliferatie-gevoelig hoogverrijkt uranium als brandstof gebruikte, draait inmiddels, anders dan Saris beweert, volledig op laag verrijkt uranium (verrijkingsgraad 19,5 procent).

Te hoge werkdruk

Wat ook niet ontkend wordt door NRG is dat er in het verleden zwakten waren in haar veiligheidscultuur. De ANVS en haar voorloper KFD (Kernfysische dienst) zijn daar duidelijk over geweest en het is ook in 2014 gebleken uit documenten die KRO Reporter in handen kreeg. Te hoge werkdruk of juist zorgeloosheid en gewoontevorming leidden ertoe dat procedures niet op de juiste manier werden gevolgd, overigens zonder dat dit noemenswaardige consequenties had. Van belang is dat NRG de veiligheidscultuur en -organisatie de laatste jaren heeft verbeterd. Ze kan dat overtuigend aantonen. Het heeft ook meetbaar invloed gehad op ernst en aantal van de ‘ongewone gebeurtenissen’. De ANVS-rapportage bevestigt dit.

Dat NRG geen stralingscontroleurs in dienst zou hebben, zoals Saris beweert, is onjuist. We hebben er dertien, zegt ECN-directeur Paul Korting.

Dat de HFR-reactor wordt bediend ‘door ingehuurd marinepersoneel dat geen verstand heeft van nucleair’ is een voorstelling van zaken waarop NRG eigenlijk liever helemaal niet reageert. „Een kwart van onze operators komt van marine en koopvaardij maar volgt een intern opleidingstraject van 3 à 5 jaar”, zegt manager operations Roland Ruiterman, zelf gewezen marineofficier.

Van de drie historische incidenten die Saris deze maand opvoerde om er het falend veiligheidsbeleid van NRG mee te illustreren is er één (hoge radioactiviteit in riolen) niet bekend bij ANVS/KFD. De twee andere zijn, schrijft de ANVS, verkeerd weergegeven. Toen in 2001 de elektriciteit uitviel in Noord-Holland heeft, anders dan Saris schrijft, de noodstroomvoorziening van de reactor wèl gewerkt. De noodstroomvoorziening van de omringende locatie haperde. Een probleem met dreigende kriticiteit van vaatjes bestraald hoogverrijkt uranium heeft zich helemaal niet voorgedaan. Het ging om filters waarin hoogverrijkt uranium was verzameld. In afwachting van afvoer naar de Covra werden die in een rek bewaard. Een berekening aan het effect van uitbreiding van het rek was niet voorgelegd aan de KFD.

Maar het is wáár wat Saris beweert: er ligt veel laag, middel en hoog actief afval in Petten: 1647 stalen vaten om precies te zijn, het merendeel (5/8ste) trouwens gevuld met laag actief afval (denk aan handschoenen, doeken en verpakkingsmateriaal). Wat dan weer niet waar is – of lijkt – is dat tijdens Saris’ ambtsperiode, dus vóór 2002, alle laag en middel actief afval uit de beginjaren van de HFR is opgeruimd en afgevoerd naar de opslagruimtes van de Covra bij Vlissingen. De Covra kan dat in ieder geval niet vinden in de aanvoergegevens uit die tijd. „In 1996, en in mindere mate 1997, is meer afval aangevoerd dan gebruikelijk, maar dat betrof waarschijnlijk de verhuizing van ons eigen afval”, zegt adjunct-directeur Ewoud Verhoef. Want de Covra zat aanvankelijk in Petten, maar verhuisde naar Vlissingen toen de Nederlandse overheid nieuw afvalbeleid ontwikkelde.

Ook niet waar is dat het afval bij Petten onveilig ligt opgeslagen in een kwetsbare ‘loods’ – die Saris trouwens even aanwees voor de kijkers van EenVandaag. („Als dáár een drone tot ontploffing komt is de ellende niet te overzien.”). De stalen vaten staan opgestapeld in verticale pijpen onder de vloer van het gebouw dat de Waste Storage Facility (WSF) heet. Die vloer bestaat weer uit betonnen platen die alleen door een speciale machine gelicht kunnen worden. De gedegen inrichting van de WSF houdt verband met het feit dat hij, anders dan Saris beweert, niet voor tijdelijke, maar voor zeer langdurige opslag was ingericht. Pas achteraf is immers besloten alle nucleair afval van Nederland bijeen te brengen in Vlissingen.

Robotarmen

Het probleem van het afval uit de ‘pluggenloods’ (zoals de WSF ook wordt genoemd) is dat niet precies bekend is wat voor afval er in welk vat zit. Om het afval naar de Covra te kunnen afvoeren moet de samenstelling nauwkeurig worden aangegeven en moet de verpakking aan strenge eisen voldoen. Daarom wordt een deel van het afval opnieuw verpakt. De vaten worden in een stralingsdichte ruimte (een ‘hot cell’) op afstand met robotarmen opengetrokken en leeggestort. De inhoud wordt gescand en gesorteerd en – gecombineerd met ander materiaal – opnieuw verpakt. Per vat neemt dat zo’n acht uur. Voor de behandeling van 527 vaten die mogelijk of waarschijnlijk afval met alfa-stralers bevatten worden aparte hot cells gebouwd. Dat dit helemaal niet nodig zou zijn, zoals Saris in zijn bezwaarschrift stelt, wordt door NRG ontkend. Zij wordt daarbij gesteund door een externe commissie van deskundigen (de commissie-Turkenburg).

Een apart probleem is dat enkele vaten afval zó verzwakt zijn dat ze niet zomaar uit de vertikale buis zijn te lichten. Inmiddels zijn toch al ruim honderd gecorrodeerde vaten omgepakt in nieuwe vaten.

Dit is wat er in het kort over het nucleair afval in Petten te zeggen valt. De verwerking is gecompliceerd, tijdrovend en zeer kostbaar, maar de overheid is er voortdurend bij betrokken en kent de problematiek – ook de financiële.

Het is ondoenlijk om in te gaan op alle aantijgingen van Frans Saris. Dat er geen wetenschappelijk onderzoek meer wordt gedaan in de HFR is niet waar. Juist in februari werd bekend dat de reactor wordt betrokken bij experimenten ten dienste van gesmoltenzout-reactoren. Zo loopt er op dit moment verouderingsonderzoek aan materiaal uit Engelse kerncentrales en onderzoek aan brandstof voor in aanbouw zijnde Chinese reactoren. Dat de HFR-productie van molybdeen-99 (waaruit de medische isotoop technetium-99m vrij komt) kan worden overgelaten aan cyclotrons, zoals Saris zegt, is pertinent niet waar. Wàs het maar waar.

Wordt er onwettig en wetteloos gerotzooid in Petten? De hoeveelheid en de opslag van het nucleair afval voldoen aan de eisen die de vergunning stelt, schrijft de ANVS. „De ANVS verricht inspecties en houdt toezicht. We zien toe op de praktijk en de boekhouding klopt. ”

Hoe kijken de technici van NRG terug op de drone-aanval uit New York? „Met verbazing”, zeggen ze glimlachend.