De democratische koorts van 1848

Overal in Europa wilden burgers in 1848 opeens meepraten over de politieke toekomst van hun land. De vele experimenten met democratie duurden maar kort. Toch is hun effect tot vandaag merkbaar, zegt historicus Geerten Waling.

Berlijn, maart 1848. Net als elders in Europa wierpen burgers barricades op om te ageren tegen een autoritair vorstenregime. Afbeelding Wikipedia

In februari en maart 1848 liep het volk te hoop tegen de autocratische vorstenregimes van Frankrijk en Pruisen. In de straten van Parijs en Berlijn werden barricades opgeworpen en vloeide bloed. De Franse koning Louis Philippe vluchtte naar Engeland en in Parijs werd de republiek uitgeroepen. In Berlijn bleef koning Friedrich Wilhelm IV weliswaar aan, maar hij ontblootte nederig het hoofd toen de begrafenisstoet met barricadeslachtoffers demonstratief langs zijn paleis trok. En hij haalde het leger weg uit Berlijn.

Daarop braken in beide hoofdsteden ‘momenten van gekte’ aan, zoals de Amerikaanse politicoloog Aristide Zolberg het noemde. Na het buigen van de vorsten wilden honderdduizenden Parijzenaars en Berlijners plotseling meepraten over de politieke toekomst van hun land. In volksvergaderingen en in politieke clubs die als paddenstoelen uit de grond rezen. Was het gekte? „Ja, zo kun je het wel noemen,” zegt historicus Geerten Waling. Hij promoveerde deze week in Leiden op het proefschrift 1848 – Clubkoorts en revolutie. „Je kunt het ook zien als euforie”, zegt Waling. „In 1848 leek het alsof plotseling alles mogelijk was. Een paar maanden lang bestonden in Parijs en Berlijn politieke laboratoria waar werd geëxperimenteerd met allerlei vormen van vertegenwoordigende en directe democratie. Dat duurde niet lang, maar het had blijvende gevolgen voor de politieke cultuur in Europa.”

Barricades

Niet alleen in Parijs en Berlijn sloeg in 1848 de vlam in de pan; dat gebeurde in bijna heel Europa. De reeks opstanden tegen zittende vorsten begon in januari 1848 in Palermo, sloeg over naar Wenen, waar kanselier Metternich op 13 maart werd verjaagd, en toen naar Praag, waar de bevolking barricades opwierp. Waling koos voor zijn boek Parijs en Berlijn om de democratische ‘clubkoorts’ in al zijn bijzonderheden te kunnen ontleden én te kunnen vergelijken.

Na de vlucht van Louis Philippe vormden democratische activisten, van liberalen tot socialisten, een Voorlopige Regering die de Nationale Vergadering ontbond, nieuwe verkiezingen met algemeen (mannelijk) kiesrecht uitschreef en vrijheid van vereniging, vergadering en drukpers decreteerde. Van die nieuwe vrijheid werd gretig gebruik gemaakt. In Parijs ontstonden in luttele weken honderden clubs of ‘volksgenootschappen’. De ‘achtenveertigers’ waren geobsedeerd door organisatie. Waling: „Die bood burgers niet alleen bescherming tegen eventuele repressie door de staat; er leefde het idee dat je door organisatie heel veel problemen kon oplossen, allerlei politieke eisen kon stellen en sociale hervormingen kon afdwingen. Het idee dat je samen sterker staat gold al veel langer voor gilden en coöperaties, maar nu ging het om politieke organisatie van individuele burgers, die zich vrijwillig aansloten bij een club, waar elke mannelijke burger kon deelnemen aan het debat.” Na tientallen jaren verbod op politieke verenigingen was dit ongekend.

Pruisische Landdag

In Berlijn vormde de koning een gematigd liberale regering en stelde hij verkiezingen in het vooruitzicht voor de nooit eerder verkozen Pruisische Landdag. Het ontzag voor de vorst bleef, maar liberalen en democraten belegden regelmatig druk bezochte volksvergaderingen waar werd gedebatteerd over noodzakelijke hervormingen. Niet veel later ontstonden democratische en liberale clubs. Die maakten school: ook koningsgezinde conservatieven verenigden zich in eigen politieke clubs, juist om het revolutionaire tij te keren. Dat gebeurde uiteindelijk ook; in november liet de koning Berlijn bezetten door het leger en in december ontbond hij de assemblee.

Bij de verkiezingen van 23 april in Frankrijk werd geen kandidaat van de politieke clubs in gekozen. Radicale democraten bestormden op 15 mei de Nationale Vergadering en daarna verliep het revolutionaire tij. Leiders werden opgepakt, in juni sloeg het leger een arbeidersopstand neer en kreeg een generaal de macht tot aan de verkiezingen van december 1848, toen Louis Bonaparte, een neef van Napoleon, tot president werd verkozen.

Gezien deze reactionaire wending beschouwen veel historici de ‘revolutie van 1848’ als mislukt. Waling ziet dat anders. „Er is geen sprake van mislukking als je ziet welke eisen zijn ingewilligd. Alles wat we nu normaal vinden in een democratie werd in 1848 geagendeerd. Maar het is mislukt, denken velen, want die mensen wilden iets dat niet is waargemaakt en vervolgens zijn ze daarvoor gestraft. Toch zijn de ervaringen met nieuwe politieke organisatievormen in 1848 veel belangrijker geweest en hebben ze een veel langduriger effect gehad dan wij geneigd zijn te denken.”

In de epiloog van zijn boek vat Waling deze duurzame effecten samen als het besef dat een democratie moet voldoen aan drie culturele voorwaarden. „Die voorwaarden,” licht hij toe, „waren vóór 1848 nog niet zo helder en zijn na 1848 onontkoombaar geworden. Ten eerste een vrij maatschappelijk middenveld, een onafhankelijke publieke opinie naast het parlement, mensen die zich vrijelijk kunnen organiseren in verenigen en vrij kunnen vergaderen. Een tweede voorwaarde is de erkenning van een oppositie, dat tegenstrijdige opvattingen allemaal bestaansrecht hebben. En tenslotte het idee dat het volk een machtsfactor is waar machthebbers rekening mee moeten houden. Potentaten uit de tweede helft van de negentiende eeuw, zoals Napoleon III in Frankrijk en Otto von Bismarck in het verenigde Duitsland, combineerden verlicht despotisme met een vorm van populisme. Zij beseften: je kunt wel alle macht naar je toetrekken zolang je dat maar doet ‘uit naam van het volk’. Dat was een essentiële omwenteling in de politieke cultuur van Europa.”

Er is in 1848 volop geëxperimenteerd met mengvormen van vertegenwoordigende en directe democratie. Clubs en volksvergaderingen wierpen zich op als volksvertegenwoordigingen, maar ook als pressiegroepen richting het verkozen parlement. Valt daar iets van te leren? Heeft de hedendaagse representatieve democratie behoefte aan meer directe en participerende vormen als aanvulling? Waling: „Zeker. Het feit dat er een raadgevend referendum is gekomen zegt al dat de volksvertegenwoordiging in Nederland beseft dat mensen betrokken willen zijn bij besluitvorming, en meer dan door eens in de vier jaar op een naam op een partijlijst te stemmen.”

Meer vertrouwen in de burger

Waling heeft hieraan een stelling gewijd in zijn proefschrift. „We zien dat er door de technologie enorm veel informatie beschikbaar is, dat in Nederland bijna alle mensen geletterd zijn en dat over een jaar of tien, twintig 50 procent van de bevolking hbo of universiteit heeft gevolgd. Er is dan ook geen reden meer voor de overheid om de burger te wantrouwen. Ik denk dat de overheid meer vertrouwen moet hebben in de burger en dat het goed zou zijn als burgers een gezond wantrouwen koesteren jegens de overheid.”

„Het referendum lijkt me een goed experiment”, zegt Waling. „Juist omdat het raadgevend is, heeft het een experimenteel karakter. Maar dat is een tussenfase. Uiteindelijk moeten we, denk ik, toe naar een systeem waarin burgers worden geraadpleegd via sociale apps en dan niet alleen zwart-witvragen krijgen voorgelegd. Je moet mensen ook laten participeren in de bespreking van complexere dossiers. In volksvergaderingen, maar niet meer op straathoeken of buiten de stadsmuren rond een populier, zoals in Berlijn 1848, maar op een digitaal plein. Daar worden nu veel experimenten mee gedaan, met filtering, zodat niet alleen mensen met de grootste mond het voor het zeggen hebben. Uiteindelijk zullen we op Europees niveau overgaan tot zo’n moderne vorm van democratische participatie.”