Als Faysal stage wil lopen, solliciteert hij als Jeroen

Mbo-leerlingen met een niet-westerse achtergrond hebben vaak moeite om aan een stage te komen. „Als je afwijzingen krijgt, is dat domme pech, ligt het aan je brief of aan je naam?”

Illustratie Roel Venderbosch

Hij heet Faysal maar als hij een sollicitatiebrief stuurt voor een stage, dan zet hij Kevin of Jeroen onderaan het papier. Als hij dan niet wordt uitgenodigd voor een gesprek, weet hij in ieder geval zeker dat het niet aan zijn Marokkaanse naam ligt.

Faysal is 26 jaar en zit in het tweede jaar van zijn mbo 2 opleiding administratie. Hij gaat naar ROC Mondriaan in Den Haag, om de hoek van station Hollands Spoor. Vlak voor de school zit hij op de betonnen reling. Faysal vertelt dat hij eerst de opleiding handel en logistiek volgde. Een stage vinden was een ramp en de school dreigde hem weg te sturen, zegt hij. „En zo kwam ik op het idee om een Nederlandse naam te gebruiken.” Met succes: Faysal werd uitgenodigd voor een gesprek. „Toch ging het mis. De man van het bedrijf met wie ik een afspraak had, was woest dat ik een andere naam had opgegeven. Hij zei: dit is fraude en ik bel de politie. Toen ben ik weggerend.”

Nederlanders met een niet-westerse achtergrond die een mbo-opleiding volgen, hebben vaak moeite om aan een stage te komen. Ze worden in bepaalde sectoren gediscrimineerd. Vooral jongens van Marokkaanse komaf en meisjes met een hoofddoek hebben hier last van. Dat blijkt uit de studie ‘Mbo en de stagemarkt, wat is de rol van discriminatie?’ van het Kennisplatform Integratie&Samenleving. Het gaat om een verkennend onderzoek, waarvoor 50 stagebegeleiders en 75 leerlingen zijn geïnterviewd.

Hoe ernstig en omvangrijk het probleem van stages en discriminatie exact is, is nog onbekend. Daar moet meer onderzoek naar komen, zegt Eva Klooster, een van de onderzoekers van de studie en verbonden aan het Verwey-Jonkerinstituut in Utrecht. Niet bij alle mbo-instellingen in het land zullen deze problemen spelen; het hangt onder meer af van de samenstelling van het studentenbestand, de omgeving en het niveau van opleidingen – het mbo kent vier niveaus. Toch kwam uit de diepte-interviews met de stagebegeleiders en studenten een hoop „zorgelijke informatie” naar boven, aldus Klooster.

Zo liet een op de tien leerlingen weten discriminatie te ervaren bij het zoeken van een stage. Vier op de tien gaven aan het niet zeker te weten. Een deel van de stagebegeleiders zei echter dat „studenten snel de discriminatiekaart trekken”. En hier zit een belangrijk probleem, zegt Klooster: „Want als je zeven afwijzingen krijgt, is dat dan gewoon domme pech, ligt het aan je brief of aan je naam? Word je gediscrimineerd of niet? Dat is lastig in te schatten.”

Dan zeiden ze: ‘we zitten vol’

Herkenbaar, zegt Mohammed, 19 jaar. Hij zit op een terras in de hal van het overdekte winkelcomplex MegaStores in Den Haag. Het is niet ver van zijn school ROC Mondriaan, veel leerlingen komen hier in de pauze een broodje eten. Mohammed studeert ook handel en logistiek en heeft eindeloos gezocht naar een stage. „Dan zeiden ze: ‘we zitten vol’ of ‘we hebben niemand nodig’ of ‘je bent net te laat’. Tja, is dat écht zo?” Laatst dacht had hij beet te hebben. „Ze zeiden: kom maar langs. Maar toen ik daar was, zei de directeur opeens dat er geen stageplek meer was.” Het is heel frustrerend, zegt Mohammed. „Zeker omdat je zonder stage je opleiding niet kunt voltooien.”

Jongens met een Marokkaanse achtergrond worden minder betrouwbaar geacht, zo signaleren de onderzoekers in de studie. Uit gesprekken met stagebegeleiders blijkt dat leerwerkbedrijven soms bang zijn dat deze leerlingen te laat komen of stelen. „Daarbij komt dat studenten van mbo-niveau 1 of 2 vaker dan gemiddeld gedragsproblemen hebben of een lastige thuissituatie kennen”, zegt Klooster. „Dat werkt niet mee in de beeldvorming.”

Bedrijven zien meisjes met een niet-westerse achtergrond niet als minder betrouwbaar, maar wel als minder representatief als ze een hoofddoek dragen. Dat zou niet passen bij de uitstraling die een bedrijf wil hebben bij klanten, is de meest genoemde verklaring volgens het verkennende onderzoek.

In de MegaStores zit ook Esma (22 jaar) samen met een vriendin (19 jaar). De vriendin – die niet met haar naam in de krant wil – vertelt dat ze dol is op sneakers en daarom tijdens haar eerdere mbo-studie mode stage wilde lopen bij een sportwinkel. Dat mislukte. „De medewerkers van de zaak zeiden dat ik geen hoofddoek kon dragen. Ik zag dat ze het heel vervelend vonden. Maar het was het beleid van de baas.”

Esma had ook een vervelende ervaring in haar zoektocht naar een stage voor de opleiding mode. „Ik belde naar een atelier en stelde mezelf voor. De vrouw vroeg: heet je Esmée? Ik zei: nee, Esma. Oh, zei de vrouw. ‘Ben je Turks of Marokkaans?’ Toen ik zei dat ik Marokkaans was, hing ze snel op.”

Bij sommige bedrijven is het lastiger voor mbo-leerlingen met een niet-westerse achtergrond om binnen te komen dan bij andere, zegt Klooster. Het gaat veelal om kleine en middelgrote bedrijven, onder meer in de detailhandel, horeca, administratie en techniek. En dan vooral ondernemingen buiten de grote steden.

Aan de andere kant zijn er ook sectoren waar leerlingen met een niet-westerse achtergrond wél makkelijk een stage kunnen vinden, zoals in de bedrijfstak zorg en welzijn en de financiële sector. Klooster hoorde van een stagebegeleider uit Amsterdam-Zuidoost dat leerlingen van Surinaamse achtergrond erg gewild waren bij zorginstellingen, „omdat ze enorm zorgzaam zijn voor de patiënten”. En omdat studenten die naar school zijn geweest in landen als Irak of Afghanistan vaak goed hebben leren rekenen, doen zij het uitstekend bij financiële instellingen.

Ook kan deze groep studenten gemakkelijk terecht bij overheidsinstellingen en maatschappelijke organisaties.

Stage binnen het eigen netwerk

Het viel de onderzoekers op dat veel leerlingen een stage vonden binnen hun eigen netwerk. Mbo-opleidingen waren daar blij mee, er was veel gelobbyd om ondernemers met niet-westerse wortels mee te krijgen. Bovendien voelen de studenten zich daar welkom, wat weer goed is voor het zelfvertrouwen. Maar, zegt Klooster, willen we dat wel, dat bijvoorbeeld Turks-Nederlandse jongeren alleen bij Turks-Nederlandse bedrijven komen? Wat betekent dat voor je kansen op de arbeidsmarkt? En voor je netwerk? Willen we niet dat deze leerlingen ook andere delen van de samenleving leren kennen?

Voor Omar was dat eigen netwerk juist een uitkomst. Hij is 22 en van Marokkaanse komaf. Ook hij zit op het terras van de MegaStores. Zijn vrienden beamen het: „Allochtonen zoeken stages bij allochtonen.” Voor zijn opleiding administratie aan ROC Mondriaan werd Omar naar eigen zeggen pas bij „het zesde of zevende gesprek” aangenomen. Hij vond via kennissen een stage bij een consulaat waar hij zich bezig kon houden met halalcertificaten.

Bij veel mbo-opleidingen moeten leerlingen zelf stages zoeken. Als blijkt dat studenten moeite hebben met het vinden van een plek, schiet een stagebegeleider te hulp. De school speelt een belangrijke rol, zegt Eva Klooster. Bedrijven zijn minder angstig als er goede contacten zijn. Ze kent voorbeelden van mentoren en stagebegeleiders die meegaan naar stagegesprekken. „Als zo iemand zegt: dit is een gemotiveerde hardwerkende leerling, dan nemen bedrijven dat serieus.”

Uit het onderzoek blijkt dat zowel stagebegeleiders als leerlingen bepaalde werkgevers mijden omdat ‘het verhaal gaat’ dat stagiaires uit etnische groepen er minder gewenst zijn. Dat is ernstig, zegt Klooster, want zo wordt het proces nooit doorbroken. Ook belangrijk: wat doet dit met de jongeren? „Ik weet dat er studenten zijn die de realiteit heel hard vinden, en niet willen toegeven dat ze gediscrimineerd worden. Te pijnlijk. Als ze hieraan toegeven, zakt de motivatie weg.”

Voor de 26-jarige Faysal, op de betonnen reling, was het gevoel „van niet geaccepteerd worden door de samenleving” reden om jaren geleden te stoppen met school. „En het criminele pad op te gaan.” Maar die tijd is voorbij, zegt hij. Hij zit weer op school. „Ik heb een dochter en wil dat ze later ook gaat studeren. Dan moet ik wel het goede voorbeeld geven.”