Tegen heilstaat en terreur

Hij gold als een ijdele, aartsreactionaire politiechef. Maar uit deze biografie blijkt dat hij veeleer een visionair was, die keek naar de politieke speelruimte die hij had.

Op de eerste bladzijde van Het Communistisch Manifest werd hij neergezet als een van die duistere machthebbers van ‘het oude Europa’, die er alles aan deden om de komst van een rechtvaardiger samenleving te verhinderen. En in de ogen van 19de-eeuwse nationalisten en liberalen was Clemens von Metternich (1772-1859) de leider van een politiestaat, die het zelfbeschikkingsrecht van volken ontkende en onder het mom van terrorismebestrijding persvrijheid en politieke activiteiten onderdrukte. Bovendien werd hij gezien als de kruiperige lakei van de Habsburgse keizers, die heersten over een afgeleefd en vermolmd rijk dat wel ten onder moest gaan.

Dat Metternich een buitengewoon behendig diplomaat was, kan niemand ontkennen, maar er wordt altijd wel meteen bij verteld dat hij zo mateloos ijdel was. Ook tegenwoordig, zoals door de populaire historicus Adam Zamoyski, wordt hij nog afgeschilderd als een bekrompen conservatief, die zo krampachtig vasthield aan een sociale orde die eigenlijk al niet meer bestond dat hij elke mogelijkheid tot geleidelijke en vreedzame verandering onmogelijk maakte.

Metternich speelde een hoofdrol in de internationale coalitie tegen Napoleon en tijdens het Congres van Wenen (1814-’15), waar na een oorlog van bijna twintig jaar geprobeerd werd een statenstelsel te creëren dat zulke oorlogen moest zien te voorkomen. Daarna zou hij nog ruim dertig jaar regeringsleider van Oostenrijk zijn, tot hij tijdens de revolutie van 1848 werd weggejaagd.

Deze historische rol heeft er toe geleid dat er over hem zo’n dertig biografieën zijn verschenen, terwijl de boeken over het Congres van Wenen en het ‘Systeem-Metternich’ bijna niet te tellen zijn. Je kunt je dus afvragen, wat de Duitse historicus Wolfram Siemann (1946), die veel heeft gepubliceerd over Duitsland in de 19de eeuw en de revolutie van 1848, hier nog aan toe te voegen heeft.

Dat blijkt heel wat te zijn, want niet alleen heeft hij als eerste het immense Metternich-archief (en de relevante overheidsarchieven) doorgewerkt, maar ook schetst hij een aanzienlijk ander beeld dan zijn voorgangers.

Herrenvolk

In zijn inleiding gaat hij uitvoerig in op de oudere biografieën, waarbij hij haarfijn laat zien hoezeer die beïnvloed zijn door de politieke preoccupaties en ideologische vooronderstellingen uit de tijd waarin ze werden geschreven. Veel van de kritiek op Metternich kwam voort uit het feit dat hij een tegenstander was van het klein-Duitse (door Pruisen gedomineerde) nationalisme. Siemann toont aan dat zelfs de beroemde, kolossale biografie van Heinrich von Srbik (1925) – ook door Zamoyski kritiekloos gebruikt – zeer getekend is door Nietzsche’s idee van het Herrenvolk en een biologisch racisme. Wie door zo’n bril naar Metternich keek, kon in hem alleen maar een verrader of een mislukkeling zien.

Terecht wordt in deze biografie geprobeerd Metternich te beoordelen naar de speelruimte die hij had en het toenmalige geestelijke en politieke klimaat. De Metternichs kwamen uit het Rijnland, maar dienden al vele generaties de Habsburgse keizers van het Heilige Roomse Rijk. Ook toen dit in 1806 werd ontbonden en het keizerrijk Oostenrijk ontstond, bleef Metternich loyaal aan deze multi-etnische lappendeken, waarvan het bestuursapparaat allesbehalve leek op de efficiënte bureaucratieën van de opkomende natiestaten, en die in sommige opzichten wel aan de hedendaagse EU deed denken.

Metternich was van mening dat dit niet de ideale staatsvorm was. Zijn wapenspreuk luidde Kraft im Recht, waarmee duidelijk werd dat de overheid de burgers diende te beschermen tegen willekeur, en dat impliceerde weer dat het recht geworteld diende te zijn in een traditie, aangezien wetten anders iets willekeurigs zouden hebben.

Bij zijn beoordeling van het politieke bestel van een land keek Metternich altijd of het voor dit land geschikt was en of het aansloot bij zijn historische ontwikkeling. In 1794 verbleef hij in Londen, waar hij een bewonderaar werd van de Constitution – het ongeschreven staatsrecht dat zich sinds de Magna Carta van 1215 had ontwikkeld. ‘Als ik niet dat was, wat ik ben, zou ik graag een Engelsman zijn’, zei hij later. In Engeland was hij niet tegen persvrijheid en politiek debat, omdat dit hier tot compromissen leidde en de geweldloze beslechting van conflicten mogelijk maakte.

Metternich was tegen extremisme en fanatisme – als student was hij getuige van de revolutie in Mainz – maar ook tegen abstracte ideeën die moesten leiden tot een heilstaat. Voor Oostenrijk streefde hij voor de toekomst naar meer vrijheid, meer rechten, en was hij bereid om de privileges van de adel in te perken. Dat had echter tijd nodig en revoluties dienden vermeden te worden, omdat die leidden tot grootschalig bloedvergieten. Bovendien waren de ideeën van veel nieuwlichters veel te abstract. Wat in het ene land werkte, kon in het andere catastrofaal uitpakken.

Dit inzicht én zijn waarschuwing dat vurig nationalisme en het streven naar etnisch homogene staten het gevaar op oorlogen enorm vergroten, zijn voor Siemann enkele redenen om Metternich een visionair te noemen.

Ook relativeert hij het beeld van Metternich de onderdrukker, de man van persbreidel en politiespionnen. Hij wijst erop dat het hem niet zozeer ging om ‘restauratie’ van de verhoudingen van vóór 1789, maar veel meer om een ‘dit nooit meer’. De Franse Revolutie had immers niet alleen geleid tot een gruwelijke binnenlandse terreur, maar ook tot de opkomst van Napoleon. Wat dat inhield werd hem duidelijk toen hij in 1813 urenlang met de zelfbenoemde Franse keizer sprak en hem wees op de gruwelen van de door hem gevoerde oorlogen. Napoleon antwoordde: ‘Een man als ik schijt op het leven van een miljoen mensen.’

Een dergelijke houding – die in de twintigste eeuw kenmerkend zou zijn voor communistische en nationaal-socialistische leiders – was Metternich volkomen vreemd.