Recensie

Sweeney Todd snijdt grijnzend kelen door

René van Kooten en Vera Mann. Foto Bob Bronshoff

Nooit was er een musical waarin zo veel doden vallen als in Sweeney Todd – het negentiende-eeuwse melodrama met komische kantjes over de barbier die zich wil wreken op de hoogmogenden die hem vrouw en dochtertje hebben ontnomen en daarom de euvele daders in de scheerstoel de strot afsnijdt. En over mevrouw Lovett die hun lijken in haar pasteitjes verwerkt en zich met hitsige bedoelingen aan de barbier opdringt.

Het is een sinister gezicht, elke keer als het blinkende mes weer in zo’n keel gaat en het levenloze lijf in de oven glijdt.

Sweeney Todd, het macabere meesterwerk uit 1979 van de Amerikaanse musicalvernieuwer Stephen Sondheim, werd al een paar keer eerder in Nederland gespeeld. Eerst in 1993, in een te volkstoneel-achtige Van den Ende-productie met in de hoofdrollen Simone Kleinsma en Ernst Daniël Smid. In najaar 2014 was het stuk nog te zien in een bewerking door de Nederlandse Reisopera, met cabaretière Sanne Wallis de Vries, waar het orkest fonkelde, maar de dissonante dreiging goeddeels ontbrak in spel en enscenering.

Dat is in deze nieuwe productie in het Zonnehuis, een herontdekt buurtcentrum in Amsterdam-Noord, beter in orde. Met de musicalroutiniers René van Kooten en Vera Mann in de hoofdrollen – hij met op de schedel geplakt piekhaar en een ongemakkelijke grijns op de strakgespannen kaken, en zij met vergeefse hunkering in haar lijf en haar voordracht.

Alleen al door hun intense inleving is deze versie veruit de beste die tot nu toe in Nederland werd gespeeld. En naast hen vallen vooral de pregnante personages van Wil van der Meer en Henk Poort op. Ze dragen hun slachtofferschap met ere.

Bewonderenswaardig is ook de ingenieuze vertaling van regisseur Koen van Dijk, die tevens op het kleine toneel wondertjes verricht met zijn twaalfkoppige gezelschap. De opstellingen waarin de spelers telkens de vertellende tekst van hun beurtzang vertolken, werpen vaak letterlijk een nieuw licht op de zaak.

Van Dijk weet bovendien goed raad met Sondheims humor. Zoals in het slotcouplet dat ten slotte over Sweeney Todd en diens bloedige praktijken wordt gezongen: „Hij stuurde ieder naar de hel/ maar knap geknipt en geschoren, dat wel.”

Daarbij geeft het viermansorkestje van Marco Braam – met cello, toetsen, trompet en ander koper – een eigen hoofdrol aan de schrille staccato’s en zangerige melodieën in dit vlechtwerk van dialogen, zang en muzikale effecten.

Tegelijk herinnert de doordringende fabrieksfluit die af en toe te horen is, voortdurend aan het smoezelige Londen van omstreeks 1850, de omgeving waar deze geschiedenis zich ook in werkelijkheid zou hebben afgespeeld.