Petje op, petje af

In 1936 was er ook de roep om de Spelen te boycotten. Sommige sporters gaven daar gehoor aan, maar de meesten meenden dat sport en politiek los van elkaar stonden. Kortom: niets nieuws onder de zon.

Welke groet te brengen tijdens de ceremoniële opening van de Olympische Spelen in Berlijn, dat was de vraag. De Olympische – die erg veel leek op de Hitlergroet – of iets anders? De Fransen, Grieken, Oostenrijkers, Zweden, enzovoorts, brachten de Olympische/ Hitlergroet. Nederland had geen zin in kritisch commentaar uit het thuisland, en chef de mission Karel Lotsy bedacht een tussenoplossing: tijdens het paraderen onder de neus van Hitler zouden de Nederlandse sporters hun petje af doen.

Deze petje-op-petje-af-mentaliteit staat symbool voor de houding van de Nederlandse sportbonden vlak voor de Olympische Spelen, maakt Auke Kok – die eerder schreef over de Oranje elftallen in 1974 en 1988 – duidelijk in zijn boek 1936. Wij gingen naar Berlijn. In een boek dat weliswaar weinig nieuws bevat, vertelt hij aanstekelijk (soms zichzelf iets te vaak herhalend) welke discussies er gevoerd werden naar de aanloop van de Spelen toe.

Zo besloten zowel de Amsterdamse boksersbond als de turnbond geen spelers af te vaardigen uit protest tegen de ontwikkelingen in nazi-Duitsland. De atletiekbond – met flink wat NSB’ers als bestuursleden – stond daarentegen te popelen. Zij stond niet open voor sporters die uit principe afzegden en verspreidden geruchten over blessures van onder andere de atleten Tollien Schuurman en Bets ter Horst (de laatste was overigens ook de eerste vrouw die met blote benen sportte), terwijl beiden gewoon ‘niet voor Hitler wilden rennen’. Wél of niet gaan: alle discussies van toen, kan je zo plakken op die van nu. Waar sommige kranten zich uitspraken voor een boycot, benadrukten andere dat sport en politiek los van elkaar moesten staan.

Visitekaartje

Het is de ironie van de geschiedenis dat juist tijdens die Spelen van 1936 duidelijk werd hoezeer politiek en sport verbonden zijn, en hoe de Spelen kunnen fungeren als visitekaartje van een regime. ‘Toeval of niet: direct na de Spelen in het Russische, eigenlijk veel te warme Sotsji, waar alles nep was, verschenen Russische soldaten op de Krim als een late echo van het optreden van de Wehrmacht in 1936,’ schrijft Auke Kok. Parallellen zijn er natuurlijk ook met de Spelen in China (2008) en Rusland (1980 en 2014).

Om de vergelijking tussen toen en nu is het Kok echter niet te doen. Zijn vraag is wie gingen er wél en hoe liep het met ze af. Daarbij komt niet iedereen aan bod, zoals de zeiler Daan Kagchelland die goud won of de kanoër Wim van der Kroft (brons).

Kok spitst zijn verhaal toe op de zwemster Rie Mastenbroek (vier medailles, waarvan drie goud) en de sprinter Tinus Osendarp (‘de snelste blanke ter wereld’). Die twee waren het succesvolst van de Nederlandse equipe en hadden beiden een andere achtergrond dan de rest. Ze waren niet opgegroeid in de weelde van veel andere sporters – zoals de roeiers, afkomstig uit het Leidse studentencorps, die er lol in hadden om Hitler de naam Jansen te geven, de man van onderbroekenfabrikant Jansen & Tilanus – en werden per toeval ontdekt. Rie en Tinus waren talenten die in het leven bovendien niet erg verwend waren met aandacht van hun omgeving. In feite zag niemand ze ooit staan. Een rechter boog zich over de vraag of de moeder van Rie wel geschikt was als opvoeder. Tinus was een brave meeloper die na zijn brons op zowel de 100 als de 200 meter door het leven ging als boegbeeld van de Arische renner.

Hitlergroet

Hoezeer ze ook bejubeld werden in de pers bij terugkomst, beiden waren niet in staat het geluk vast te houden. Rie was te wispelturig en niet in staat liefde te ontvangen. Bovendien had ze achteraf gezien volgens velen wel erg stralend op het podium gestaan naast die Duitse die de Hitlergroet bracht. Tinus ging – toen hij twee jaar na de Spelen vaker als spotprent in de krant te vinden was dan als boegbeeld – de Hitlerjugend sprintlessen geven, sloot zich aan bij het politiekorps en werd NSB’er. Heel even hervindt hij zijn glorie in 1940-’45, om na de oorlog zo snel mogelijk vergeten te worden.

Genegeerd en te werk gesteld in de Limburgse mijnen, dat is Tinus’ lot. Treurig mooi is de passage waarin hij in 1995 ergens Fanny Blankers-Koen ziet zitten. Al die jaren heeft ze niets van zich laten horen, geen brief beantwoord, ook al hadden ze tijdens de Spelen in 1936 goed contact met elkaar. Tinus drentelt in haar buurt en vraagt dan uiteindelijk of ze heel even met hem wil praten. ‘Er ontrolt zich een leuk gesprekje tussen de olympische sprinters van weleer en even later is Osendarp net zo blij als na zijn bronzen races in Berlijn. Hij juicht in stilte.’