Oorlog als een kunstwerk van de natuur

Ongetrainde Duitse scholieren, schrijvers en kunstenaars snelden in 1914 naar het front. Welke krachten hadden het volk klaargestoomd? Historicus Piper schreef er een rijk, soms spannend boek over.

Otto Dix: Zelfportret als soldaat (1914), olieverf op papier, Kunstmuseum Stuttgart Foto © VG Bild-Kunst, Bonn 2012

Toen in 1945 de omvang van de wreedheden van de nazi’s bekend werd, vroegen velen zich verbijsterd af hoe een land van Dichter und Denker kon veranderen in een land van beulen en moordenaars. Het antwoord op die vraag is te vinden in Ernst Pipers Nacht over Europa. Cultuurgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Uit dit rijke en soms zelfs spannende boek blijkt dat de wortels van het kwaad in de keizertijd besloten liggen, en dan vooral in de manier waarop veel conservatieve Duitsers dachten, Wilhelm II voorop.

Piper (1952) vertelt niets nieuws. Maar door zijn rangschikking van de feiten en zijn uitvoerige behandeling van het oorlogsenthousiasme van Duitse schrijvers, kunstenaars, geleerden en andere intellectuelen kun je bijna niet anders dan concluderen dat de mentaliteit die in het Duitsland van keizer Wilhelm II werd gesmeed wel degelijk heeft bijgedragen aan de opkomst van Hitler.

Piper onderstreept dat het in 1871 gestichte Duitse Keizerrijk zich een parvenu onder de grootmachten voelde. Het minderwaardigheidscomplex dat hieruit voortkwam werd door de machthebbers omgezet in een gevoel van superioriteit van de Duitse cultuur ten opzichte van de westerse civilisatie en democratie. Onder die vlag trok Duitsland in 1914 de oorlog in. Vage begrippen als de nationale idee, Duits leiderschap, organisch denken, heldendom, romantisch volk van dichters en denkers werden afgezet tegen alles wat in de omringende landen belangrijk werd geacht, zoals parlementaire democratie en kapitalisme. Vanwege die verschillen waande Duitsland zich omsingeld door vijanden en koos het voor een isolement. Het vormde een ideaal uitgangspunt om te kunnen beweren dat het een oorlog moest beginnen om zijn eigen beschaving tegen smetten van buitenaf te verdedigen. Wat dan ook geschiedde.

Propagandavereniging

Die omsingelingsparanoia kon zich in Duitsland moeiteloos ontwikkelen. De meeste Duitsers wantrouwden politieke partijen, die alleen maar onderling strijd zouden voeren om hun eigen belangen veilig te stellen. In plaats daarvan gaven ze de voorkeur aan nationalistische verenigingen. De belangrijkste was het Alldeutsche Verband, een van de grootste nationalistische propagandaverenigingen. De Alldeutschen waren voorstander van pan-Germaanse expansie en een imperialistische koloniale politiek. Daarnaast steunden ze uitbreiding van de vloot en waren ze fel antisemitisch. Door hun maatschappelijke invloed veranderde het cultureel nationalisme van Duitsland in een racistisch nationalisme en een streven naar Lebensraum in de vorm van omvangrijke territoriale expansieplannen in Europa, Azië en het Nabije Oosten. Hitler zou er ruimschoots van profiteren.

Ter illustratie van zijn betoog voert Piper tal van bekende en minder bekende kunstenaars en intellectuelen op, zoals de cultuurpessimistische filosoof Oswald Spengler die het wilhelmische Duitsland omschreef als een wereld die bepaald werd door orde en tucht, gedienstigheid en volgzaamheid, gehoorzaamheid, en de wil tot macht. De belangrijkste vijand was Engeland, met zijn parlementaire democratie en zijn voorkeur voor sport en comfort, die als verderfelijke voortbrengselen van de Britse handelsgeest werden gezien.

De Duitse schilder Christian Schad zei kort na 1918 dat schrijven en denken onder de Pruisische discipline waren veranderd in God, keizer en vaderland; een officier was de hoogst bereikbare positie, oorlog de hoogste deugd.

Piper laat ook uitvoerig de Duitse tegenbeweging aan het woord, die weliswaar een realistische kijk op het keizerrijk had, maar een minderheid vormde. Zo waarschuwde Heinrich Mann in zijn roman Der Untertan voor het anti-democratische nationalisme van de wilhelmische burgerij.

Toen in 1914 de oorlog uitbrak had Thomas Mann, Heinrichs broer, het over een ‘feestelijke volksoorlog’. Over het uitbreken ervan schreef hij: ‘Het was reiniging, bevrijding, wat we voelden, en een ongehoorde hoop.’ Pas in 1922, na de moord op minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau, zou hij zich tot de republiek bekeren en afstand nemen van zijn militaristische, anti-democratische ideeën.

De oorlog van 1914 was dus niet alleen een oorlog tegen Duitslands buitenlandse vijanden, maar ook een doel op zichzelf. Een anti-liberale denker als Johann Plenge noemde de oorlog daarom een revolutie die alle krachten in de samenleving verenigde in een Volksgemeenschap met een autoritair socialisme. Ook bij hem zouden de nationaal-socialisten leentjebuur spelen.

Ongetrainde Duitse scholieren, schrijvers en kunstenaars snelden in 1914 naar het front, om zich daar dood te laten schieten door de professionele troepen van de vijand. Piper vertelt in geuren en kleuren hoe dat kon gebeuren. In het geval van de gymnasiasten speelden leraren en boeken vol jongensheroïek, die in de oorlogsjaren bestsellers werden, vaak een beslissende rol.

Kunstenaars en intellectuelen hadden andere beweegredenen. Zo beschreef kunstcriticus Karl Scheffler de oorlog in een essay als een kunstwerk van de natuur: met de overwinning zou Duitsland de leiding in de kunsten krijgen en het impressionisme ‘de kunstzinnige bestemming van alle volken van Arische afkomst zijn’.

De schilder Otto Dix, net als Heinrich Mann een tegenstander van de oorlog, liet zich er toch door meeslepen. Hij ontdekte in zichzelf een tomeloze wil om zich uit te leveren aan het geweld: ‘De oorlog was afschuwelijk, maar desondanks ook iets geweldigs. Dat mocht ik in geen geval missen.’

Belgische bevolking

Opvallend is dat liberale geesten zoals de diplomaat, mecenas en dagboekanier Harry graaf Kessler de door de Duitsers begane oorlogsmisdaden tegen de Belgische bevolking en de verwoesting van hun dorpen en steden rechtvaardigden, omdat Belgische burgers als franc-tireurs aan de gevechten zou hebben deelgenomen.

Een uitgebreid hoofdstuk besteedt Piper aan de Duitse joden. Ondanks het toenemende antisemitisme onder de keizer manifesteerden ook zij zich als fanatieke patriotten, vaak in een poging Duitser dan Duits te zijn. Hun opvattingen verschilden in niets van die van de niet-joodse Duitsers. De Alldeutschen wilden er echter niet van weten. Met man en macht probeerden ze te ontkennen dat van de 96.000 joden die in het Duitse leger vochten, 77 procent aan het front diende.

Vooraanstaande Duitse joden als de industrieel Walther Rathenau, de reder Albert Ballin, de bankier Max Warburg en de econoom Julius Hirsch waren leidende figuren in de Duitse oorlogseconomie. Joodse wetenschappers en chemici, Fritz Haber voorop, leverden belangrijke bijdragen aan de wapenindustrie. In hun patriottisme en hun soms ziekelijke dweepzucht met de keizer waren ze blind voor wat er niet deugde aan de onder Wilhelm II opgebouwde militaristische samenleving. Na 1918 zouden ze de perverse rekening voor hun vaderlandsliefde gepresenteerd krijgen.