‘Mijn vaders wanhoop achtervolgt mij levenslang’

Interview Alfred Birney (64) portretteert in zijn roman De tolk van Java zijn vader. Deze streed tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen wisselende vijanden.

Alfred Birney: ‘ In Nederland overheerst nog altijd de sfeer vantempo doeloe als het beeld van Nederlands-Indië’ Foto Robin Utrecht

Oorlog. Dat is het eerste woord dat de jonge Alfred Birney van zijn vader hoorde als het ging over het voormalige Nederlands-Indië. De zoon moest erom smeken eens iets anders te horen dan verhalen over het geweervuur tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog. Iets over de geheimen van het land aan de andere kant van de wereld bijvoorbeeld, de mysteriën, de tovenarijen. Deze vader en zoon spelen de hoofdrol in Birneys nieuwe roman De tolk van Java, aangekondigd als een ‘autobiografische mokerslag die de clichés over Nederlands-Indië verpulvert’. Alfred Birney (64), geboren en woonachtig in Den Haag, is een Indo. Dat vervult hem met trots. Hij heeft een Nederlands-Indische vader en een Nederlandse moeder, een schoenmakersdochter uit Helmond.

Zijn roman telt ruim vijfhonderd bladzijden en heeft inderdaad de kracht van een mokerslag. Op onrustbarende wijze beschrijft Birney het extreme geweld tijdens de dekolonisatie (1945-1949); geweld aan beide kanten, van Indonesische vrijheidsstrijders en van Nederlandse soldaten. Zijn vader vocht in die oorlog, aanvankelijk aan Nederlandse zijde. Zijn loyaliteit aan het vaderland was groot: hij doodde ‘in naam van Oranje’.

Welke clichés wilt u verpulveren?

„Het ergste cliché is dat van de zwijgende Indische vader. Met die aanduiding schetst men een beeld van mannen die in Indonesië verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt die zij niet naar buiten willen brengen. Deze zwijgende Indische vader is een man losgeslagen van zijn land van herkomst, en in die zin een betreurenswaardige figuur. Historici en journalisten wijten de onbekendheid van de koloniale geschiedenis bij het grote publiek aan dat zogenaamde zwijgen. Zo wordt onwetendheid in de schoenen van Indische mensen geschoven. Dat is onrechtvaardig. Mijn vader heeft nooit over die tijd gezwegen, evenmin als talloze anderen.”

In de roman keren polemieken terug uit uw eerdere werk, zoals uw boosheid over de plaats van de Indo in de Nederlandse samenleving en literatuur.

„Er is te weinig veranderd. In Nederland overheerst nog altijd de sfeer van tempo doeloe als het beeld van Nederlands-Indië, van heimwee naar een paradijselijk verleden. Dat is een leugen. Neem de novelle Orpheus in de dessa van Augusta de Wit uit 1903, het meest clichématige boek dat ik ken. Het stond tot in de jaren tachtig op de literatuurlijst. Kijk eens welke stereotypen die novelle kent. Er is ingenieur Bake, de verpersoonlijking van de westerling.

„Diametraal tegenover hem staat de mysterieuze Javaanse fluitspeler Si-Bengkok, die elke avond betoverende klanken laat horen. Tussen hen in staat de Indo, de boekhouder. Hij heeft geen naam. Indo’s zijn in veel boeken naamloos. Als Si-Bengkok sterft na een schot door buffeldieven, verzuimt de Indo medische hulp in te roepen. Het is wellicht subtiel beschreven, toch maakt de schrijfster de Indo hiermee verdacht. Anno 2016 mag en kan zo’n boek vol stereotypen niet op de literatuurlijst. Alsof er in ruim een eeuw niets is gebeurd.”

De oorlogsverrichtingen van uw vader tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog hebben een grillig verloop. Hij begon pro-Nederlands en eindigt pro-Indonesisch.

„Zijn ‘loyaliteitswanhoop’ zoals ik het noem, heeft me mijn leven lang achtervolgd. Mijn vader was en is een moeilijk te begrijpen figuur. Hij is geboren en getogen in Soerabaja, sloot zich tijdens de Japanse bezetting met zijn Indonesische schoolkameraden aan bij het Vernielingenkorps. Hij saboteerde Japanse oorlogsvoertuigen. Hij was dus anti-Japans en pro-Nederlands.

„Na de Onafhankelijkheidsverklaring door president Soekarno op 17 augustus 1945 vocht hij tegen de Indonesische vrijheidsstrijders, met de Nederlandse brigades. Hij wist van de opstand; er werd over gefluisterd, het was onmiskenbaar. Alleen de Nederlanders wilden van niets weten. Hij schoot vrijheidsstrijders dood en als die zich verborgen achter een vrouw met zuigeling, dan schoot hij dwars door die twee heen. Hij stond op de zwarte lijst van Soekarno.

„Maar aan het eind van de Indonesische vrijheidsstrijd, in 1949, werd hij voorstander van de onafhankelijkheid en vocht samen met zijn schoolvrienden tegen de Nederlanders. Hij sloeg radicaal om. Ik vraag me af: waar stond hij nou eigenlijk?”

Heeft u het antwoord kunnen vinden?

„Nee, ik ben bang van niet. Hoe kan iemand steeds van loyaliteit wisselen? Ik denk dat hij op drift was, zoekend naar zijn identiteit. Dat laatste verbaast me weer niet. Hij was een onwettig kind. Zijn vader, nazaat van een aristocratische, steenrijke Schotse plantersfamilie op Oost-Java, heeft hem nooit erkend. Zijn Chinese moeder wel. Dus had hij een Chinees paspoort. In de Nederlands-Indische tijd werd op hem neergekeken, dat heeft hem getekend. Hij was geen echte Birney, geen miljonairszoon maar een wetteloze Chinese Indo. Dat hij zich aansloot bij zijn kameraden van vroeger kwam doordat zij hem ervan overtuigden dat hij een ‘kind van het land’ was, een van hen, een Indonesiër. Hij hervond zijn identiteit.”

Uw vader lijkt verslaafd aan geweld. Met inlevingsvermogen beschrijft u de gewelddadigheden tijdens de politionele acties. Waarom?

„Die verzachtende term staat me tegen. Dat klinkt als Nederlandse soldaten die even agentje gaan spelen in Indonesië, alsof je het verkeer komt regelen. Maar agentje spelen doe je niet met meer dan honderdduizend militairen, met tanks en gevechtsvliegtuigen. Dat Nederland vijf lange jaren bleef doorgaan met de oorlog, is verbijsterend. Wereldwijd was de dekolonisatie gaande, in de Filippijnen, India, Indo-China, Algiers. Het dekolonisatieproces van Indonesië voltrok zich in nog geen tien jaar. Dat is ongekend als je beseft dat de overheersing meer dan drie eeuwen duurde. Het kon zo snel, omdat Nederland blind was voor het vrijheidsverlangen.”

Wat was de belangrijkste reden tot het schrijven van dit boek?

„Voor veel lezers is het conflict tussen vader en zoon herkenbaar. Een agressieve, militante vader jegens een zoon als slachtoffer. Haat en liefde. Maar er is meer. Het belangrijkste is te laten zien dat Nederland de koloniale geschiedenis op afschuwelijke manier heeft afgesloten, omdat Nederland weigerde met Indonesische leiders te praten. Het doel dat ons land voor ogen stond was gezagsherstel. En geld natuurlijk.”

Nederland is de laatste tijd in de ban van geweldsexcessen die begaan zijn door Nederlandse soldaten in Indonesië. Foto’s van martelingen en executies duiken op. Dat wordt breed uitgemeten in het nieuws. Ik verwachtte dat uw boek zou inslaan als een bom.

„Dat had ik ook verwacht. Inmiddels is me duidelijk dat de koloniale geschiedschrijving geschreven wordt vanuit een blank Nederlands perspectief, sinds de VOC-tijd is dat zo. Als je als Indo-schrijver met zo’n boek komt, dan word je verdacht partijdig te zijn en de blanke zegeningen in de Oost te schaden. Wat dat betreft heerst er een soort apartheid in de Nederlandse literaire canon. Een overtuigd Indo-schrijver als Tjalie Robinson heeft jarenlang op erkenning moeten wachten, en nog is hij betrekkelijk onbekend. Het is de blanke stem die de toon bepaalt over Nederlands-Indië: Hella Haasse, F. Springer, Rudy Kousbroek. Waarom leest men Robinson niet die van binnenuit kijkt?”

Uw boek getuigt van grondige historische kennis van de koloniale geschiedenis. Is dat noodzakelijk?

„Ik volg de hedendaagse ontwikkelingen op de voet. Nu met de overdaad aan berichtgeving over excessen valt me op dat Nederland de kant van het schuldgevoel kiest, helemaal in de trant van de laatste woorden uit Max Havelaar over de ‘miljoenen onderdanen die worden mishandeld en uitgezogen’. Dat aanboren van schuldgevoel is bespottelijk. Indonesië heeft de Onafhankelijkheidsoorlog toch gewonnen, so what? Ze hebben de Nederlanders eruit gegooid, dat is hun geschiedenis. Ik weet dat er allerwegen roep is om nieuw onderzoek naar de excessen, ook en juist in Indonesië. Maar dat is vergeefse moeite. Als je weet hoe Indonesiërs met archieven omspringen, dan weet je ook dat er niets te vinden is. Er is veel zoekgeraakt. Het echt waardevolle archief bevindt zich gewoon bij het NIOD in Nederland, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Het is naïef te denken dat je in Indonesische archieven vindt wat we allang weten.”

U trekt de lijnen vanuit Indië door naar het heden. In 1950 kwam uw vader naar Nederland en stichtte een gezin. Maar dat mislukte.

„De Nederlandse samenleving behandelde voormalige landgenoten uit Indonesië hardvochtig. Ik zag mijn vader als een desperado die zich hier niet thuis voelde. Ik herinner me Indische kennissen van mijn ouders die op bezoek kwamen. Ze hadden iets verweesds over zich, iets verlatens. Het land waar zij opgroeiden en waarvan zij hielden ligt ver weg achter de horizon. Al leef ik nog altijd met duizenden vraagtekens, soms probeer ik het heel eenvoudig te houden: de Indonesiërs hebben iets gewonnen. Hun vrijheid. De mensen uit Nederlands-Indië hebben iets verloren. Hun land. We komen alleen verder in historisch onderzoek als we kennis hebben van hun perspectief. Dat perspectief heb ik in mijn boek willen schetsen: een in Nederlands-Indië geboren man die zowel tijdens als na de koloniale oorlog zijn identiteit kwijtraakte.”