Klimmen tussen muren van ijs

De Colle dell’Agnello is als een onbeminde vrouw – geen berg van naam. Maar vandaag wel de prima donna van de Giro.

De Colle dell’Agnello, vernoemd naar lammeren die over de pas werden gedreven, wordt pas voor de derde keer voor een wielerkoers gebruikt Foto Cor Vos

Daniele, Fabio en Alessio, drie wielertifosi van achter in de twintig, lopen op bijna drieduizend meter boven zeeniveau lachend richting hun camper, die ze vanaf hier zouden kunnen zien staan als ze over de vangrail het ravijn in zouden durven kijken.

Er waait een ijzige wind in hun gezichten, de gevoelstemperatuur ligt onder nul. Het drietal is deze donderdag alvast tegen de Colle dell’Agnello opgereden en overnacht tussen andere wielerfanaten in een grauwe alpenweide. Vanaf hier hebben ze prachtig uitzicht over de beklimming naar het ‘dak’ van de Giro d’Italia, die als een slang door het steeds kaler wordende alpenlandschap slingert. Ze zijn niet voor niets naar de op twee na hoogste bergpas van Europa gekomen – na de Stelvio en de Iseran, in Italië en Frankrijk– want één ding weten ze zeker: De Giro gaat hier vrijdag beslist worden. Als Kruijswijk niet achterop raakt, gaat hij winnen. „We gunnen het hem van harte”, zegt Alessio, die over zijn schouder een zwarte vlag met daarop een wit doodshoofd draagt. Marco Pantani, twaalf jaar dood, is nergens in Italië ver weg.

De Colle dell’Agnello, vernoemd naar de lammeren die over de pas werden gedreven, was tot een paar dagen geleden nog onbegaanbaar. Als de Giro van dit jaar een ander slot had gekend, was de bergpas niet eerder dan op 1 juni opengegaan, maar nu hebben sneeuwschuivers de smalle haarspeldbochten vrijgemaakt. Het peloton moet vrijdag de laatste vijf van in totaal ruim twintig ‘officiële’ klimkilometers tussen metershoge sneeuwwanden omhoog fietsen. Het doet denken aan iconische foto’s van Fausto Coppi, vijfvoudig winnaar van de Giro, wereldkampioen, twee keer de beste in de Tour, die in 1953 ook tussen verblindende muren van ijs de Stelvio (Zuid-Tirol) beklom. Het hoogste punt van de Giro is sinds 1965 naar hem vernoemd, Il Campionissimo, held van de regio Piëmont.

Drie keer eerder was de Colle dell’Agnello Cima Coppi, maar bij de eerste poging in 1995 moest de etappe worden afgelast vanwege lawinegevaar. Ook de renners van de Tour de France gingen in 2008 over de Col d’Agnel, zoals de Fransen het schrijven. De grens tussen Italië en Frankrijk ligt immers precies op de top.

Pas in 1975 werd het smalle grindpad dat in de Tweede Wereldoorlog veelvuldig werd gebruikt om zout, instrumenten en ansjovis vanuit Frankrijk Italië binnen te smokkelen vervangen door een asfaltweg, vertelde voormalig journalist Alberto Burzio (65) – zwartgrijze baard, zijn buik kwam onder zijn te korte shirt vandaan – een paar uur eerder. Hij sprak met luide stem in de zitkamer van zijn bed and breakfast Barba Bertu in het dorpje Frassino en schonk zonder het te vragen wat van zijn zelf gestookte likeur in, bitter van de gentiaan, bloemen die door een goede vriend van hem aan huis werden gebracht.

Nog veertig kilometer

Hier, op 750 meter hoogte, begint de weg naar de Agnello omhoog te lopen, nog niet zo steil, maar echt vlak is het al sinds Piasco niet meer, een stadje 25 kilometer terug. Als een zwoegende groep wielrenners vrijdag langs Barba Bertu rijdt, moeten ze nog bijna veertig kilometer omhoog. Het zal Burzio een zorg zijn: hij heeft nog maar één kamer vrij, waar het normaliter in deze periode van het jaar schrapen is.

Even na Casteldelfino, volgens wielerwebsites het officiële startpunt van de klim die in de Tour het predicaat ‘hors catégorie’ kreeg, passeren de renners aan de rechterkant een stuwmeer, aangelegd door dictator Benito Mussolini in de jaren veertig. Hier zullen ze vrijdag eten aangereikt krijgen van hun soigneurs. Op de bodem van het meer ligt, naar verluidt, het gehucht Chiesa de Pontechianale, dat in het voorjaar soms zichtbaar wordt als het waterpeil naar het laagste punt zakt, en de daken van de huizen aan de oppervlakte komen. Burzio liet eerder een boek zien ter ondersteuning van zijn verhaal: Valetta Sommersa heet het, de ondergelopen vallei.

Na Pontechianale, een wat armoedig ogend dorpje op ruim 1.600 meter, wordt het menens. Hier liggen de eerste tornanti, haarspeldbochten, geflankeerd door bebloemde Mariakapelletjes. De weg wordt snel smaller, de bossen raken uitgedund en verliezen hun kleur, maar het uitzicht over de vallei blijft indrukwekkend. Waarom is deze col niet net zo bekend als de Stelvio, of skioord Risoul, waar de finishlijn vrijdag ligt? „De mensen hier zijn gesloten”, zei Burzio. „Ze hebben geen behoefte hun regio aan te prijzen.”

Op 1.800 meter hoogte loopt de weg met vijftien procent omhoog. Een vangrail ontbreekt. De pas is nooit voor het grote publiek ingericht. Vijf meter hoge keien zijn door lawines achteloos over de helling verspreid. Een paar bochten verderop klinkt het meditatieve geluid van een beek, gevoed door smeltwater van de top. Op een groen uitgeslagen kei staat ‘Via mare’ als verwijzing naar Vincenzo Nibali, de Haai van Messina. Bergmarmotten fluiten een loflied op het voorjaar.

‘Alles begint pijn te doen’

Boven de twee kilometer hoogte gaat elke renner wat van de ijle lucht merken. Hier bewegen voelt alsof je een extra gewicht mee omhoog zeult, zegt een eenzame fietser van middelbare leeftijd die zijn afdaling even onderbreekt. „Dit is zonder twijfel de zwaarste beklimming van de westelijke Alpen”, zegt hij. „De eerste tien kilometer zijn zwaar vanwege het stijgingspercentage, maar daarna door de hoogte. Als je boven de 2.500 meter komt, begint alles pijn te doen.”

In de sneeuwwanden vlak onder de top zijn met roze graffiti leuzen gespoten, en ook op de weg, op 2.700 meter en een beetje. ‘Only Marco Pantani, ci manchi pirata’ – piraat, we missen je. Zal Steven Kruijswijk er oog voor hebben, vlak voordat hij het diepe, Franse dal instuift, op weg naar finishplaats Risoul, waar zijn eigen tifosi hem op staan te wachten?