Recht & Onrecht

Justitie kan de politie nu even niet helpen met hervormen

In één maand kreeg de rechtshandhaving twee harde analyses te verduren. De top van het ministerie van de commissie Oosting en de politie uit eigen kring met de analyse ‘Handelen naar waarheid’ over de recherche.

De rechtshandhaving was prominent in het nieuws deze week. Prominent maar niet fraai. Eerst was er het rapport “Handelen naar waarheid” over de sterkte en vooral over de zwakte van de opsporing in Nederland; een derde crisis daar zoals politiechef Heijsman het al eerder had genoemd.

Daarna kwam het tweede rapport Oosting uit over de vraag waarom het ministerie de gegevens over de zaak Cees H. niet zelf kon produceren. Was er een doofpot of was er geblunder? Geen doofpot was de conclusie en – weinig opgemerkt – Opstelten blijkt écht van niets geweten te hebben, hij werd gevloerd door zijn eigen ambtelijke leiding. Er was wel geblunderd en het rapport geeft een onthutsende inkijk in de sturing van het ministerie van V & J. Twee kritische rapporten over de rechtshandhaving en beide maken je niet echt niet vrolijk. Dat hebben ze gemeen. Maar er zijn ook belangrijke verschillen.

De politie heeft zijn eigen vlees gekeurd. Ze deed dat volgens het principe “zachte dokters maken stinkende wonden”. Dat blijkt daar dus te kunnen, je eigen vlees keuren. Bij het ministerie van Veiligheid en Justitie lukte dat niet. Niet alleen slaagde men er intern niet in om de gegevens boven tafel te krijgen; maar er moest twee keer een zware onafhankelijke commissie aan te pas komen om de ontstane commotie tot bedaren te brengen en helderheid te verschaffen. Het vlees moest door derden gekeurd worden.

Een tweede verschil is dat het onderzoek bij V & J ging om een incident, om een afspraak tussen het OM en een wegens drugshandel veroordeelde man en dat het bij de politie over de hele opsporing ging. Het is goed om dat te benadrukken omdat de neiging om nu heel V&J op de schop te nemen, zonder dat daar een goede analyse aan ten grondslag ligt, op de loer ligt. Politieke druk leidt daar gemakkelijk toe: bij het volgende regeerakkoord gaan we het hopla anders doen, geen tijd voor een analyse, geen overdachte strategie en wellicht op naar de volgende parlementaire discussie of erger.

Een derde verschil is dat het bij het rapport van Oosting, onvermijdelijk over verantwoordelijkheden van de top van het ministerie gaat. Mensen worden of met name genoemd, of zijn als persoon herkenbaar. Oosting doet dat nog explicieter in een interview in De Volkskrant van 26 mei. Daarin merkt hij over secretaris-generaal Cloo op: “Onze conclusie was dat hij toch al niet goed functioneerde en zeker ook niet op dit moment suprême”.

Het rapport over de opsporing gaat daarover, en niet over mensen. Alleen de koppensneller van de NRC verwijst in een artikel op 23 mei over het rapport over de opsporing naar een persoon: de portefeuillehouder opsporing binnen de politie : Stoffel (Heijsman) en noemt hem een hulpeloze politiebureaucraat, zeer ten onrechte.

De vraag is, hoe nu verder. Voor het ministerie van V & J zal dat antwoord moeten wachten op een goed overzicht van kracht en zwakte ervan en een beredeneerde keuze voor verbeteringsinitiatieven. De hoop is dat die analyse er komt en snel gemaakt wordt. Een puur politieke keuze onder druk genomen en zonder goede feitelijke basis zou hier te veel risico op een institutionele blunder met zich mee brengen.

Voor de herijking van de opsporing opent zich het grauwe perspectief dat daar weliswaar nu een eigen, harde en binnen de politie ook gedeelde analyse ligt, een indicatie van de sterke wil daar om er goed uit te komen. Maar dat de politieke en beleidsmatige dekking van zo’n verbeteringsprogramma afhangt van een ministerie waarvan de ambtelijke top net een vette onvoldoende heeft gekregen en de politieke leiding op eieren moet lopen.

Van die top zal de energie voor langere tijd naar binnen gericht zijn. De vraag is dan hoe het programma ter herijking van de opsporing moet worden aangestuurd. Waar komt de politieke sturing en de bestuurlijke kracht vandaan om dat proces tot een goed einde te brengen en de wijsheid om het geen project te laten zijn maar een proces? Waar de moed om het te koppelen aan de al lopende reorganisatie van de hele politie zonder vast te lopen in daar al bestaande complicaties? Waar de vaste wil om dat met de 150 mensen die er nu bij betrokken zijn te blijven doen om draagvlak te behouden en te vergroten? Waar komen de financiën vandaan? Niet van een stuurgroep van ambtenaren die voor een belangrijk deel vanuit datzelfde ministerie van V&J komen. Wie de verbetering van de opsporing – de duurzame verbetering zelfs volgens de minister - ter harte gaat, zorgt voor een veranderingsorganisatie die een breed mandaat heeft, voldoende veranderkundige expertise omvat, krachtige steun van de top van de politie heeft en waaraan ook de vakbonden van harte meedoen. Al was het alleen maar om de beeldvorming dat de politievakbonden een hindernis zijn voor veranderingen, te logenstraffen.

Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten. De Politiecolumn verschijnt wekelijks en wordt afwisselend geschreven door politiedeskundigen.