Ik wilde zeggen: hoi, ik ben moslim. Dat je het weet

AD-columniste Hanina Ajarai Hanina Ajarai schreef een column over haar hoofddoek. Ze was gebiologeerd door de haat die ze daarmee opriep. „‘Meisje’ noemen ze me steeds . Ik ben 34.”

Hanina Ajarai riep veel weerstand op met een column over haar hoofddoek. Foto Andreas Terlaak

Je kunt best zeggen: waarom is dat nou nodig, die hoofddoek? Daar kun je over discussiëren, vindt columnist Hanina Ajarai. Dat is te verdragen. Maar je zegt niet:

„Tot de enkels afzagen die dame.”

„Godallemachtig wat een kinnebak heeft zij. Ik zie gelijkenis met dat beest in de modder op de kinderboerderij.”

„Straks liggen we allemaal op een matje te bidden of in een gat in de grond met je hoofd eraf.”

„Ik koop niet in moslimwinkels.”

„Tijd om de handschoen op te nemen.”

Hanina Ajarai schreef vorige week haar eerste column voor het Algemeen Dagblad. Toen ze voor die plek gevraagd werd, dacht ze heel even: „Echte columnisten, dat zijn Tom-Jan Meeus, Margriet Oostveen. Wat heb ik nou te vertellen?” Maar ze zei iets anders: „Ja, leuk, doe ik.”

Ajarai vond dat ze móést. Ze is moslim, van Marokkaans-Nederlandse afkomst en geloof het of niet, ze zag het als een kans om begrip te kweken. Tijdens een studiereis naar Marokko schreef ze haar eerste bijdrage. Ik dacht: die foto met die hoofddoek, dat is het eerste wat de lezer ziet. Laat ik uitleggen waarom ik die draag. Ze schrijft dat ze zichzelf niet vromer vindt dan een ander, dat ze alleen maar wil zeggen: „Hoi, ik ben moslim. Dat je het weet.” Dan was dat ook maar uit de weg.

Niet dus.

Die dinsdagochtend appte een vriendin: Hanina, heb je het gezien? Je wordt aangevallen! Hanina Ajarai – die zelf geen Twitter of Facebook heeft – ging meteen kijken. „Ik was gebiologeerd. De haat. De minachting.” Ze werd ‘slaafse hoer’ genoemd, haar hoofddoek een ‘kopvod’, haar werk een ‘brugklasopstel’. „Ze hadden het steeds over ‘meisje’.” Hanina Ajarai lacht en gaat voor het eerst harder praten. „Meisje, meisje. Ik ben vier-en-dertig!”

Wie al angstig was, denkt al gauw dat moslims de wereld gaan overnemen

Het AD wordt gelezen door bijna één miljoen mensen, en ze was onderdeel van de campagne voor de vernieuwde krant. „Maar dan nog”, zegt ze, „ik schreef al heel vaak over mezelf en de islam voor NRC. Nooit heeft dat zo’n impact gehad als deze keer.”

‘Impact’, zo noemt ze de storm die over haar heen trok. Ajarai vertelt het koel, armen over elkaar. Zoon Ilyas sleept ondertussen al zijn speelgoed de woonkamer binnen. „Ik heb geen tere ziel. Ik ben opgegroeid met acht broers en zussen. Ik weet hoe ik mijn plek moet veroveren.” Ajarai ziet de hatelijke comments niet als iets persoonlijks – dit gaat niet over háár. Er was niemand die zich tot haar richtte. Geen telefoontjes, geen e-mails. Niks. De meesten lezen zo’n stukje niet eens, laat staan dat ze zich in haar hebben verdiept. „Je moet maar eens goed naar die comments kijken”, lacht Ajarai. „Ze noemen mij die Turk van het AD.”

Dat het nu „bon ton” is om zo over de islam en over moslims te praten, dát verontrust haar wel. Ze wist heus dat „islamhaat” speelt, maar het bereikt haar zelden. „Ik heb een baan. Ik heb gestudeerd. Ik heb vrienden met wie je hier genuanceerd over kunt praten.”

Voor andere moslims geldt: zij moeten nog een baan of een stageplek zoeken. „Je weet niet wie er over je lot beslist: kan die jouw prestaties wél los zien van je geloof?” Over het klimaat waarin haar kinderen – drie en vier jaar oud – opgroeien, denkt Hanina Ajarai overigens nog helemaal niet na. „Nee joh, we zijn pas bezig met de basis. En die leg ik.”

Volgens Ajarai gaat het om een vast groepje „beroepshaters”, of „milder gezegd” beroepscritici, die bij iedere storm in de voorhoede liggen. Jan Roos, Jan Dijkgraaf, Bart Nijman, Theodor Holman. „Het is hun werk”, zegt ze. En Hanina is nu even de motor. „Ik voed hun haat.”

Zorgelijker zijn de mensen die op al die haatpagina’s rondhangen. Die halen, las ze, soms wel acht uur per dag. „Wie al angstig was, denkt al gauw dat moslims de wereld gaan overnemen”, zegt ze. „Die mensen krijg je echt niet meer mee.”

Doelwit van haat zijn volgens Ajarai moslims, vrouwen, allochtonen. Precies die conclusie trok The Guardian vorige maand ook. De Britse krant analyseerde 70 miljoen reacties en zag dat artikelen die geschreven worden door vrouwen, etnische en religieuze minderheden stelselmatig meer hatelijke reacties opleveren. Van de tien meest belaagde auteurs op de krant, waren er acht vrouw. Ajarai: „Wie mag er dan straks nog wel wat zeggen? Alleen die witte, oude man?”

Waarom mensen online hun haat spuien, dat weet Ajarai niet. Een oplossing ziet ze wel. Ze stelt voor om iedereen een verplicht uur te laten „meelopen met een moslim”. „Dan pas mag je iets beledigends over ze zeggen.”

En wat als Jan Roos nu tegenover haar zou zitten? Hij schreef: „Vroeger moest je talent/taalgevoel/humor/kennis hebben, nu is een doek op je kop genoeg voor een column.”

Wat zou zij zeggen?

„Niks.” Hij mag eerst iets in haar gezicht zeggen. „En dan zeg ik wat terug, misschien.”