Ik geloof dat ik graag die ander wil zijn

Memoirs en openbare dagboeken balanceren altijd tussen vormgeving en échte openheid. Gerbrand Bakker (1962) kiest radicaal voor de openheid en toont zijn (vooral sociale) moeilijkheden.

Schrijven is net schaatsen, of zou dat moeten zijn. ‘Het moet per ongeluk gaan. Dat kan niet, dat is onmogelijk. Het werkwoord “moeten” en “per ongeluk” kunnen niet samengaan. Dat kan het schrijven van een boek erg lastig maken.’ Aldus Gerbrand Bakker in Jasper en zijn knecht, zijn deze week in de reeks Privé-domein verschenen dagboek over 2015. Het is een mooi beeld, voor zowel het geslaagde schrijven als voor het deerniswekkende gekrabbel van de auteur die niet vooruit komt. Bakker begint er niet zomaar over. De schrijver van Boven is het stil, Juni en De omweg heeft al zes jaar geen fictie meer gepubliceerd.

Niet dat hij in dit dagboek aan een writer’s block lijdt – integendeel. Hij schrijft zonder zichtbare moeite vierhonderd bladzijden bijeen over zijn leven: het werk in en om zijn huis in een dal in de Eifel tussen Bitburg en Prüm, de buren, bezoek (onder wie de schrijvers Pauline Slot en Anton Dautzenberg), zijn moeilijke hond Jasper, de Nederlandse tv, boekpromotiereizen, de ontvangst van zijn roman June in Engeland; de nadelen van afgelegen wonen zonder dat je een rijbewijs hebt. En hij graaft in zijn verleden, soms citerend uit oude brieven en dagboeken.

Dat graven heeft een reden die samenhangt met zijn creatieve droogte van de laatste jaren. Bakker (1962) wil meer te weten komen over zijn depressies. Welke rol spelen die bij het niet kunnen schrijven? Welke rol spelen zijn medicijnen? En wat deed hij toen hij zich vroeger ongelukkig voelde? Klopt zijn vermoeden dat hij het daar met niemand over had? Memoirs en openbare dagboeken balanceren altijd tussen vormgeving en échte openheid. Neigt een auteur naar eerlijkheid of naar een mooi verhaal? In dat spectrum kiest Bakker radicaal voor de openheid en toont hij zijn (vooral sociale) moeilijkheden.

Toneelstukken

Daarbij is het beeld dat hij van de eerste veertig jaar van zijn leven schetst inderdaad deprimerend: een homoseksuele boerenzoon, geteisterd door acne. Hij studeerde cultureel werk in Leeuwarden, speelde in moeilijke toneelstukken (later hoorde hij hoe slecht de voorstellingen waren), deelde het bed met mannen en jongens omdat hij dacht dat dat zo hoorde: ‘volgens mij belandde ik wel vaker met mensen in bed omdat ik zo niets was, zo willoos, zo makkelijk.’ Naar aanleiding van de zielloze seks in zijn studententijd schrijft hij: ‘Ik leefde in een soort parallelle wereld, ik had enorme heimwee, knallende heimwee, ik verlangde naar weilanden vol pinksterbloemen.’

Het beroepsleven bood ook al geen vrolijkheid. Na de ongelukkige Leeuwardense periode, het Cultureel Werk was inmiddels afgeschaft, ging Bakker Nederlands studeren in Amsterdam. Hij werkte als ondertitelaar van de soap The Bold and the Beautiful (later gelukkig ook van andere programma’s). En hij hield een dagboek bij. De eerste zes delen noemde hij ‘Tja’. Daarna volgden drie delen ‘Jawel!’ Eigenlijk is die tweede titel nog treuriger dat de eerste. Na ondertitelontslag genomen te hebben begon hij een opleiding tot hovenier. Het afronden daarvan viel samen met de publicatie van Boven is het stil (2006), de roman die hem binnen enkele jaren (internationale) roem bezorgde.

Niet dat Bakker zich de vanzelfsprekende eigendunk van de literator aanmat: geweldig is de anekdote hoe hij door zijn late afzegging voor een reis naar de boekenbeurs van Buenos Aires de toorn van het Nederlands Letterenfonds wekt, wat de winnaar van de prestigieuze IMPAC Dublin Literary Award (2010) goedmaakt door anderhalve dag de tuin van de instelling op te knappen. Dat zie je Koch of Nooteboom toch niet snel doen.

Bakker voelt zich meer op zijn gemak naarmate de pretenties van zijn gezelschap afnemen. Hij weet ook wel dat hij een moeilijke man is. Voor zichzelf én voor anderen. Hij vreest zelfs een moeilijke man te zijn voor zijn hond. Jasper is een Griekse straathond, die via Mönchengladbach bij Bakker in de Eifel is beland. Zijn turbulente verleden heeft zijn sporen nagelaten: het dier loopt onophoudelijk weg, brengt zichzelf in de problemen (met schrikdraad bijvoorbeeld), pist en poept in huis. Als een ijverige jonge vader probeert hij de steeds wisselende gedragingen van Jasper het hoofd te bieden; ’s nachts wekt het dier hem rond drie uur omdat het naar buiten wil. Bakker gaat dan roken in de keuken tot Jasper terug is. Ontroerend is Jasper en zijn knecht vooral op de momenten waar Bakker zich opgetogen toont over de affectie van het dier. Dat Jasper zich aan zijn baasje hecht, is voor het baasje kennelijk niet vanzelfsprekend. Genegenheid, laat staan liefde, is dat nooit voor Bakker: ‘Ik heb één keer zitten snikken bij de therapeut, op de dag dat ik zei dat ik zo ontstellend, misschien wel beangstigend, weinig meegevoel heb met andere mensen, of beter gezegd: een gebrek aan wérkelijk contact met andere mensen, dat daar altijd een demper op lijkt te zitten; altijd achteraf, altijd een stap te laat.’

In de imposante eerlijkheid waarmee Bakker de deuren van zijn privédomein opengooit zit de kracht van Jasper en zijn knecht. Bij die openheid hoort ook een zekere klagerigheid. Over gebrek aan literaire erkenning, onduidelijke Spaanse eetgewoonten en het feit dat het radioprogramma Met het Oog op Morgen wél Tommy Wieringa uitnodigde bij diens nominatie voor de IMPAC-prijs, maar Bakker negeerde toen hij dezelfde prijs won.

Jasper en zijn knecht is niet zo somber als het hier wellicht lijkt – al heeft het boek een zeer droevige epiloog. Bakker schrijft prachtig over de Eifel en vertelt met zelfspot over de peperdure onderbroeken die hij vanuit Australië laat invliegen. Hij neemt Herman van Veen de maat en herinnert zich een lunch bij de koningin, waar hij meende steeds hitsiger blikken van de dienstdoende ober te ontvangen. Die blikken leverden niets op, zoals ook helemaal in het begin van het boek een veelbelovende emailuitwisseling met een Duitser er slechts toe leidt dat deze Bakkers huisje voorbij rijdt. Een fijne man, dat is wat je de auteur misschien nog wel het meeste gunt. In een van de scherpste observaties van het boek: ‘Ik geloof dat ik niet zozeer verliefd was, maar dat ik die ander wilde zijn. Misschien heb ik jarenlang verliefdheid en jaloezie door elkaar gehaald.’ In die laatste zin zit nogal wat tragiek samengebald. Daar moet toch een roman van te maken zijn, al dan niet per ongeluk.