De leegloop van het linkse klooster

Een evenwichtige biografie laat zien hoe het weekblad tot in de jaren tachtig de norm in journalistiek Nederland kon zijn

Joop van Tijn (tweede van links) zit in 1976 een redactievergadering van Vrij Nederland voor. Aan het hoofd van de tafel Martin van Amerongen (l.) en Rinus Ferdinandisse Foto Bert Nienhuis, uit besproken boek

Als de culturele revolutie eind jaren zestig in ons land rijp is voor de ‘lange mars door de instituties’ kiest Vrij Nederland voor de socialistische orde. Voor een ‘echte’ socialistische orde, wel te verstaan en niet voor het bleke aftreksel dat de PvdA die twee naoorlogse decennia in de aanbieding had gehad. Ook het eigen huis aan de Raamgracht in Amsterdam wordt eind jaren zestig ingericht op socialistische grondslag, met een tik van de Joegoslavische molen zelfs.

Hoofdredacteur Mathieu Smedts, een door de nazi’s ter dood veroordeelde verzetsstrijder, moet in deze nieuwe ordening het veld ruimen. De rooms-katholieke doorbraaksocialist Smedts geeft jongeren als Igor Cornelissen en Martin van Amerongen een kans en stuwt de oplage van Vrij Nederland van 23.000 in 1955 tot 63.000 in 1968. Maar voor de linkse dagorder is hij in 1968-’69 een last geworden. Als hij eenmaal is geloosd, regeert de redactie. Zij bepaalt wie welkom is en wie niet. Dit collectief neemt collega’s aan en ontslaat ze. Hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse is niet meer dan een ‘Rinus inter pares’ die met afgewend hoofd de onkostendeclaraties parafeert, schrijft John Jansen van Galen in De gouden jaren van het linkse levensgevoel over de geschiedenis van Vrij Nederland in zijn gloriejaren.

Het kapitaal van de arbeidersbeweging, die het voordien kwakkelende weekblad van de ondergang had gered, dient eveneens zijn plaats te kennen. Vrij Nederland resideert op de Olympus van de geëmancipeerde journalistiek en kan eisen stellen.

Maar zoals bij alle neosocialistische clubs is het hemd nader dan de rok. De sterauteurs, de latere hoofdredacteur Joop van Tijn voorop, hebben veel meer (materiële) privileges dan de letterknechten. Zo heeft de onvermoeibaar bijklussende Van Tijn een privésecretaresse, die ongemerkt op de loonlijst van de Weekbladpers blijkt te prijken.

Een van de grappigste voorbeelden van dit Orwelliaanse dubbelschema levert Jan Rogier. De zoon van de aartsvader van de naoorlogse roomse historiografie in Nederland is ideoloog van de directe democratie. Rogier heeft naam gemaakt met filippica’s tegen bijvoorbeeld ex-premier Jan de Quay, die in de eerste oorlogsjaren de Nederlandse Unie leidde, en oud-VN-medewerker Loe de Jong, die hij week na week kritiseert als ‘geschiedschrijver des rijks’. Dat het blad zichzelf bestuurt, is ook zijn werk. Maar als hij adjunct-hoofdredacteur wil worden, meldt Rogier zich niet bij het collectief maar bij de Weekbladpers met de vraag of die buiten de redactie wat druk wil zetten. Zelfbestuur is leuke theorie. In de praktijk is Rogier niet vies van een kleine lobby bij de bazen.

Gideonsbende

Commercieel draait Vrij Nederland het decennium daarna als een tierelier. Op zijn hoogtepunt in 1978 verkoopt het 120.000 exemplaren. Journalistiek is het weekblad een parel. Renate Rubinstein ontpopt zich er als eerste columnist van Nederland. De interviews van Bibeb zijn befaamd. Het show don’t tell van Gerard van Westerloo maakt school. Via Joop van Tijn, later onafscheidelijk met Max van Weezel, heeft het blad invloed in Den Haag. En sociaal oogt de krant als een ‘gideonsbende’ die hard werken en stevig drinken kan combineren.

Wie wil niet bij dit ‘geheime genootschap’ werken? Journalisten, die niet a priori op de knieën gaan voor de Raamgracht, wordt een moeizame toekomst in het métier voorspeld. Vrij Nederland is de norm.

Maar dan gaat het fout. Vrij Nederland wordt beheerst door drie clans plus voetvolk: de clan-Van Tijn, de clan-Van Westerloo en de clan van de Einzelgänger met Van Amerongen en Cornelissen. Deze clans gaan in de jaren tachtig de strijd aan. De redactie is niet langer een ‘enclave’ waar de redacteuren elkaar de maat nemen maar naar buiten toe solidair blijven door zicht te onderwerpen aan een zwijgcode. Achter de façade van onthullingsdrift en vernieuwingselan heersen roddel, conspiratie en politiek exorcisme. Zij die worden uitgedreven, houden daar soms hun halve leven last van.

De ‘brievenaffaire’ in 1986 is de hysterische climax. Enkele redacteuren krijgen anonieme epistels waarin ze vilein worden gerecenseerd. Gelet op interpunctie (na een leesteken geen spatie) zijn ze volgens een oppositioneel redactioneel rechercheteam getypt door een en dezelfde auteur. Ferdinandusse is een hoofdverdachte. Maar ook Jansen van Galen, die nog twee andere mindere goden ter redactie oppert, kan niet onthullen wie de brieven heeft geschreven.

Het is dertig jaar later nog gekker geworden. Ook het aantal anonieme brieven staat niet vast, omdat veel adressanten ze zijn kwijtgeraakt of hebben verscheurd. Hoogst merkwaardig in een journalistieke omgeving, die zich op archivering en onderzoek laat voorstaan. Dit on-journalistieke versnippergedrag lijkt inderdaad meer op een sekte die zich, naar een term van redacteur Gerard Mulder, heeft verschanst in een ‘kloostermentaliteit’.

Daarna gaat het bergafwaarts. Het linkse klooster loopt leeg.

Jansen van Galen heeft De gouden jaren van het linkse levensgevoel plus hun neergang met veel aandacht voor de grote lijn én het hilarische detail beschreven. Het verhaal is zo de geschiedenis van een fameuze krant waarin de vaderlandse geschiedenis zich weerspiegelt. Jansen van Galen – die indertijd werkte bij de Haagse Post, ‘links en toch leesbaar’ – heeft dat ook heel fair gedaan, op zich al een verdienste in het journalistieke wereldje dat vaak wordt gekenmerkt door kippendrift.

Beide bladen uit dat gouden decennium zijn nu zieltogend. Vrij Nederland heeft een oplage van nog geen 25.000 exemplaren, vergelijkbaar met het dieptepunt begin jaren vijftig toen het weekblad op sterven na dood werd gered door de sociaal-democratische Arbeiderspers.

Miskenning

Het is niet verbazingwekkend dat de krant is meegezogen door de conservatievere reactie. Vrij Nederland heeft altijd stellige opvattingen gehad over de wereld. Maar het heeft diezelfde wereld vaak minder goed begrepen. Het koesterde lang het eigen gelijk. Dat is moreel misschien mooi, maar is een miskenning van het feit dat journalistiek ook een commerciële en opportunistische component heeft.

Dat gebrek aan analytisch vermogen én intellectuele discipline dient zich aan tijdens en na het kabinet van Joop de Uyl (1973-1977), zelf ooit begonnen bij Vrij Nederland. Het weekblad heeft zich nooit geëngageerd met de meest linkse regering ooit. Maar als het wordt opgevolgd door het kabinet-Van Agt-Wiegel lijkt de krant ronduit opgelucht. Marketeers verzinnen deze reclameleuze: ‘Het zijn weer tijden om Vrij Nederland te lezen’. Alsof ze blij zijn dat er een rechtsere wind gaat waaien, een kentering die in 1979 met Thatcher in Engeland en Reagan in Amerika en in 1982 met Kohl in Duitsland haar beslag krijgt in delen van de westerse wereld.

De subtekst van de campagne in 1977 klinkt als: goddank, even geen verantwoordelijkheid meer. De wereld is immers al zo lelijk.

Vrij Nederland wilde mooi blijven, maar verkommerde in schoonheid.