De Dikke van Dale, maar dan in een niet- alfabetische volgorde

Opnieuw toont de Vlaamse schrijver Roobjee fraaie demonstraties van melancholie. Dat lukt dankzij een onbegrensde woordenschat. Niet een personage, maar de taal speelt de hoofdrol.

Dat de taal het banale niet alleen troostend kan ordenen, maar het zelfs volledig kan overvleugelen bewijzen de beginregels van Luceberts klassieke ‘Aan lesbia’: ‘de oude meepse barg ligt/nimmermeer in drab.’ Mooie woorden. Intrigerende woorden in elk geval. Dat je in feite leest over een zwak, gecastreerd mannetjesvarken dat niet meer in de modder rolt zou je zomaar over het hoofd kunnen zien.

De zomer van de neusbloedingen (2013), van de verre van meepse Vlaming Pjeroo Roobjee (1945), bracht precies dié sensatie teweeg. Het handelde over een groep ruziënde, echtbrekende buren uit een lage sociale klasse, maar Roobjee beschreef ze allemaal zo barok en hij legde ze zulke verrukkelijke archaïsmen en welluidende volzinnen in de mond dat hun kinderachtige gesteggel terstond een gouden randje kreeg.

Niet alleen was het onbedaarlijk geestig om te lezen over deze Vlaamse Flodders die ‘binst’ zeiden waar ieder ander de voorkeur aan ‘terwijl’ zou geven, de roman liet zich ook lezen als een ironische demonstratie van één van de grote dilemma’s van de hedendaagse schrijver: wat moet je nog met je originele, verheven taal in een cultuur waarin men, een beperkt vocabulaire bezigend, gewoon het liefst zo snel mogelijk van A naar B wil? Hoe mooi wil je het nog zeggen, of hoe ‘waar’ is mooi nog?

Stilistisch is Roobjee’s stemmig getitelde Niets te vieren van een vergelijkbaar laken een pak als zijn voorganger. Kijk maar eens: ‘De aangesproken persoon dorst thans een onbewasemde blik op de jeugdige deerne te werpen. Zij zoude, bedacht hij, de dochter van een camorrist kunnen zijn in een van die magnifieke Cosa Nostra-rolprenten, waarin – als de avond in de nacht schuift – een laveiende karabinier, lang en mager lijk een lengtemaat, met een dubbelloops Bühag, kaliber 16, de eer van zijn clan verdedigt en de verrader vol moordend lood van blauwe bonen pompt en in de nadaver van zijn drift een wederspannige onderzoeksrechter, geschapen om te leven en te dansen, van oor tot oor de strot doorsnijdt.’ Roobjee citeren komt er op neer dat je, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen, niet altijd even goed weet wat je nu eigenlijk zegt. Voorgaand citaat is nog tamelijk eenvoudig. Veelal bekruipt je het gevoel dat Roobjee de Dikke van Dale heeft overgeschreven in niet-alfabetische volgorde: zo goed als elk beschikbaar woord heeft hij in zijn boek opgenomen. Overdaad.

Maar is het nu alleen maar spielerei wat hij bedrijft? Ik geloof van niet. De fraaie demonstraties van melancholie die in Roobjee’s vorige roman te vinden waren (‘Eveline ruimde de terrastafel af, stopte het gebruikte gleiswerk en de glazen in de afwasmachine en trok toen naar de tuin. Onder het gewei van de notelaar stond Wilfried naar de verten van een betere wereld uit te kijken.’) zijn ook in Niets te vieren te vinden.

Je wordt vaak overvallen door de gedachte dat Roobjee zó godsgruwelijk veel woorden in kan zetten dat een effectieve, dramatische vertelconstructie voor hem van secundair belang is. Niet de personages zijn zijn voornaamste personages, het is de taal zelf – het lijkt de poëzie wel – die bij hem de hoofdrol toebedeeld heeft gekregen. Hij maakt dusdanig veel woorden vuil aan handelingen, stemmingswisselingen en weersomstandigheden dat, hoe gek het ook mag klinken, die handelingen, stemmingswisselingen en weersomstandigheden keer op keer naar de achtergrond verdwijnen. Een heel originele manier dus om de lezer ervan te doordringen dat het primair woorden zijn die hij leest, en dat hij toch vooral geen inzichten moet ontlenen aan iemand die zinnen in de juiste volgorde heeft gezet. Bewuste overdaad dus.

Wat wel bezwaarlijk is in het geval van Niets te vieren is de karakterkeuze en de setting van de roman. De zomer van de neusbloedingen was een schot in de roos vanwege dat huwelijk tussen het verhevene en het laag-bij-de-grondse, nu draait het allemaal om een in Italië residerende, Oblomov-achtige baron die na de dood van een familielid een reis onderneemt naar de Nederlanden. Een heer op stand dus, waardoor taal en personage minder haaks op elkaar staan en het daardoor aan dynamiek heeft ingeboet. Anders gezegd: alleen het concept blijft overeind. En een roman heeft aan alleen een concept niet genoeg om te blijven drijven. En toch is Roobjee een auteur die onze aandacht verdient.