Want dieren zijn níét precies als mensen

In zijn bestseller Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? slaat etholoog Frans de Waal door, schrijft Rik Smits. Hij overdrijft in zijn pogingen menselijke eigenschappen bij dieren te bewijzen. „Dierenliefde is een slechte raadgever.”

’S Werelds troetel-etholoog Frans de Waal is een complotdenker. Iedereen die zijn Fabeltjeskrant-adagium ‘dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken’ durft te betwijfelen, beticht hij in zijn nieuwste boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? van lidmaatschap van een antropocentrische wereldsamenzwering. Een kongsi van filosofen, psychologen en taalkundigen die telkens als dieren iets ‘typisch menselijks’ blijken te kunnen, fluks de doelpalen verplaatst om de vermeende uniciteit van de mens te redden.

De Waal is ook een wensdenker. Intelligentie is volgens hem datgene wat binnen de beperkte leefwereld van een diersoort nodig is, vandaar dat hij gruwt van de term ‘stom dier’. En dierlijke prestaties, hoe gering ook, heten steevast ‘extreem geavanceerd’, ‘indrukwekkend’ of ‘ongelooflijk’, alsof pappie praat over het eerste plasje-op-het-potje van zijn jongste spruit. Maar liefde en enthousiasme zijn in de wetenschap slechte raadgevers.

Eerlijk is eerlijk, De Waal heeft reden tot boosheid, want er is en wordt veel doms en kortzichtigs beweerd over de plaats van de mens in de biologische wereld. Maar hij slaat door. Zoals hij bijvoorbeeld onderzoeker Herbert Terrace zwartmaakt, is volksverlakkerij. Terrace leidde in de jaren ’70 een spectaculair project om chimpansee Nim menselijke taal te leren, wat zowaar een beetje leek te lukken. Maar achteraf kwam de twijfel, en Terrace had de moed om opnieuw door alle opnamen en verslagen heen te ploegen en te publiceren dat bij nader inzien niets in wat Nim produceerde op echte taalvaardigheid wees. Dat soort wetenschappelijke integriteit is zeldzaam. We moeten ervoor terug naar 1902, toen de toenmalige paus van de prehistorie, Émile Cartailhac, in zijn artikel ‘Mea culpa d’un sceptique’ openlijk toegaf dat hij twintig jaar eerder de ontdekker van de grotschilderingen van Altamira ten onrechte als oplichter had weggezet. Maar wat zegt De Waal? Dat Terrace Nim maar een saaie causeur vond.

Even misleidend en kortzichtig is zijn geschamper over de ban die de Franse Societé de Linguistique in 1866 uitsprak over alle onderzoek naar het ontstaan van menselijke taal. Achterlijke anti-evolutielui, oordeelt De Waal. Volstrekte onzin! Omdat taal fysiologisch alleen gaat over weke, snel vergankelijke delen – hersens, tong, wat kraakbeen – beschikten taalkundigen niet over ‘harde’ gegevens als fossielen. Daardoor had Darwins revolutionaire nieuwe theorie een lawine van speculatieve flauwekultheorietjes door hele en halve amateurs ontketend. Die stroom moest het verbod stoppen, wat lukte.

Essentieel manco van al dat getrain van dieren: het blijven karweitjes, die draaien om een onmiddellijke beloning

De Waal grossiert verder in overdrijvingen en overschatting. Olifanten delen volgens hem mensen in „naar taal, leeftijd en geslacht”. Maar hij laat slechts zien dat ze Maasai-mannenstemmen van alle andere geluiden onderscheiden als levensgevaarlijk. Hij dicht raven dezelfde intelligente politiek en coalitievorming toe als chimpansees, omdat exemplaren met veel relaties – dat wil zeggen een hoge status – opvallend vaak relaties tussen andere exemplaren actief dwarsbomen. Maar dat kan evengoed aan biologische temperamentverschillen liggen, want wie bovengemiddeld veel relaties tussen anderen verstoort, houdt zelf bovengemiddeld veel relaties over.

Juichend voert De Waal de in 2007 gestorven wonderpapegaai Alex op, die kon rekenen en enthousiast met abstracte begrippen goochelde. Van dat dier staat een intrigerend filmpje op YouTube. Daarin zegt Alex vooral vaak dat hij terug wil naar zijn kooi. Maar dat mag nooit, er is steeds ‘one more chore’, nog één karweitje, dat het dier dan braaf uitvoert. Maar zo ging het niet altijd. Toen een wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad bij Alex in Amerika op bezoek ging, weigerde hij de hele dag ook maar een stom woord te zeggen.

Dat illustreert een essentieel manco van al dat getrain van dieren: het blijven ‘chores’. Geen van de taalgetrainde apen entameerde zelf conversaties, vrijwel al hun uitingen draaiden om een onmiddellijke beloning en na afloop van hun project bleef er niet één spontaan gebruik maken van de aangeleerde vaardigheden. Het werd gewoon nooit ‘hun ding’, wat de vraag oproept of het niet toch slechts om door omkoping met voer en aandacht aangeleerde trucjes gaat. Laten we ook niet vergeten dat wat wij te zien en beschreven krijgen, ook in vakpublicaties, altijd hogedrukcompilaties zijn van succesmomenten. De dagelijkse werknotities van dierwetenschappers en filmers lijken meer op het dagboek van Lodewijk XVI: maandag rien, dinsdag rien, woensdag rien

Maar dat blijft bij De Waal allemaal buiten beeld, net als de drang en dwang waarmee getrainde dieren bij de les moeten worden gehouden. En zo doet De Waal precies datgene wat hij anderen verwijt: hij zet de doelpalen net waar ze hem uitkomen en roept dan: „Zie je wel!”