Waar komen Freek en Sadira elkaar tegen?

Het is niet zo dat er tussen rijke en arme stadskinderen een onoverbrugbare kloof loopt. Ertussen groeit een nieuwe groep ‘tusseninkinderen’. Eén probleem: ook die kinderen mogen niet meer alleen buiten spelen.

In Rotterdam en Amsterdam is buitenspelen een uitje onder ouderlijke toezicht geworden. Foto Jan de Groen / Hollandse Hoogte

Even voorstellen: de kinderen over wie we nooit iets horen. Leora is tien, ze woont in de Rotterdamse wijk Delfshaven in een krappe sociale huurwoning. Haar ouders zijn in Nederland geboren Kaapverdianen. Ze krijgt zangles op school. Freek is zes, zijn ouders zijn Nederlandse Nederlanders, hij woont in een koophuis in de Amsterdamse Bos en Lommerbuurt, hij zit op zwemles. Sadira is acht, haar opa’s en oma’s zijn eerste generatie Marokkanen. Ze woont in Amsterdam-Oost op een grote huuretage, en gaat graag turnen. Amman is acht, komt uit Rotterdam Crooswijk, en leeft met haar alleenstaande Italiaanse moeder. Amman speelt iedere dag in de gezamenlijke binnentuin van het woonblok, en bezoekt na schooltijd een huiswerkklasje.

Dit zijn de kinderen uit de stedelijke middengroepen; de ‘tusseninkinderen’. Anders dan wel eens wordt gedacht, behoren grotestadsgezinnen niet óf tot de multiculturele sociale minima, óf tot de witte welvarende hogere middenklasse. Er zit een gevarieerde groep tussen, die, hoe diffuus ook, één kenmerkt deelt: het zijn sociale stijgers: de ouders hebben ten opzichte van hún ouders een grote stap vooruit gemaakt in opleiding en inkomen, maar halen (nog) niet het opleidingsniveau en de werkomvang van de hogere middenklasse. Deze kinderen zijn het cement van de stad.

Stadsgeograaf Lia Karsten en architect Naomi Felder deden de afgelopen jaren onderzoek naar de leefkwaliteit van de stad voor kinderen in Amsterdam en Rotterdam. Vandaag verschijnt hun boek De nieuwe generatie stadskinderen. Ruimte maken voor opgroeien.

Ondanks een recente piek in de uittocht van stadsgezinnen naar buiten, een gevolg van de stijgende de huizenprijzen, blijft het aantal kinderen in Amsterdam en Rotterdam groeien. Karsten en Felder wilden weten hoe die nieuwe generatie gezinnen de stad gebruikt en beoordeelt, en hoe hun buurten geschikter kunnen worden gemaakt voor opgroeiende kinderen. Een kwalitatieve steekproef van 42 gezinnen gaf hun de kans de verschillen tussen kinderen goed te bestuderen, en daarmee inzicht te krijgen in de sociale dynamiek van de stad.

Het cement van de stad

Karsten en Felder leggen uit waarom de sociale stijgers „het cement van de stedelijke samenleving” zijn. Karsten: „Ze hebben banden met de armere mensen in de stad, in veel gevallen hun eigen ouders, maar ze begrijpen de waarden en de manier van leven van de rijkere bewoners. Zij kunnen met iedereen omgaan.” Dit zijn de gezinnen waarin steden volgens Karsten en Felder zouden moeten investeren.

„Sociale ongelijkheid tussen kinderen wordt vaak aan school en onderwijs toegeschreven”, zegt Karsten, „maar dit onderzoek laat zien dat de problematiek breder is, en ook andere oplossingen vraagt.” Het punt is: stadskinderen komen elkaar te weinig tegen. Dat heeft te maken met wat de auteurs de ‘geïnstitutionaliseerde vrijetijdsbesteding’ noemen. De kinderen uit de hogere middenklasse, zoals Louise (9), Leon (5) en Mila (11) uit het onderzoek, zitten op andere clubjes dan de kinderen uit de andere groepen, die zich meestal beperken tot zwemles en het cursusaanbod van de eigen basisschool. Karsten: „De hogeropgeleiden schieten overal langs, op weg naar iets.” Bovendien wordt er nóg minder buiten gespeeld door stadskinderen dan uit eerder onderzoek van Karsten naar de ‘achterbankgeneratie’ al bleek. Kinderen zijn door de steeds vollere buitenruimte, en het drukker wordende verkeer nog meer naar binnen gedrongen. Stoepen slibben vol met terrassen, afvalbakken, opladers voor elektrische auto’s. Maar ouders zijn ook bezorgder dan vroeger, ze zien hun kinderen als kwetsbaar. Dat geldt ook voor de immigrantengezinnen. Anders dan wordt aangenomen zijn de zoons en dochters van de sociale minima uit dit onderzoek niet méér op straat te vinden dan andere kinderen („Was het maar waar”, verzuchten de onderzoekers) – ook bij hún ouders is het idee van ‘het kwetsbare kind dat je moet beschermen’ tot de opvatting van goed ouderschap gaan behoren.

Buitenspelen is een gezinsuitje

Als jonge stadskinderen buiten willen spelen, moet vader of moeder mee; voor de welvarende gezinnen van Ties (6), Moon (8), Hans (10) en Jara (12) is buitenspelen een gezinsuitje geworden, waarbij ook het comfort van de ouders (lekkere koffie) telt. „Maar ouders hebben niet altijd tijd en zin om mee te gaan”, zegt Karsten, „en op die momenten zitten de kinderen dus binnen.” Dat is niet alleen slecht voor de gezondheid in het algemeen, en de slanke lijn in het bijzonder, maar staat ook ‘het informele leerproces’ in de weg dat op straat plaatsvindt. Kinderen leren van zelfstandig in de buurt op ontdekking gaan. En het gaat verder dan dat: in de uitwisseling tussen kinderen, in de voorbeelden die ze elkaar geven, ligt de kiem voor persoonlijke en maatschappelijke verandering: hier doen ze vaardigheden op waarmee ze zich op een dag kunnen ontworstelen aan hun omstandigheden; hier groeit inzicht in elkaars manieren. „Dat ‘culturele kapitaal’ wordt zonder buitenspelen nauwelijks uitgewisseld”, zegt Karsten. „Vooral de kinderen onderaan de maatschappelijke ladder zijn hier de dupe van.”

De oplossing ligt volgens de onderzoekers in het alledaagse contact. Onderzoekskinderen als Samira (11), Hans (10), en Lakeithia (10) zouden elkaar gewoon in de buurt moeten kunnen tegenkomen; in dat half uurtje tussen de naschoolse opvang en het avondeten, waarin ouders in de spaghettisaus staan te roeren, en de kinderen met hun bal of skateboard nog even naar buiten willen.

Dat vereist gemengd bouwen: huisvesting voor arm, rijk, en alles daartussenin bij elkaar in de buurt. Het vereist, steeds schaarser in de stad, beschikbare woningen voor de middeninkomens. Het vereist gemengde buurtscholen. En het vraagt om kindvriendelijker buurten, met autoluwe speelplekken die ouders vanuit hun raam kunnen zien.

Verblijfstraten om te zitten

Hier komt de expertise van architect Naomi Felder kijken, die zich bezighoudt met de aanleg van een kindvriendelijke stad. Er ligt volgens Felder nu te veel nadruk op de bouw van goede gezinswoningen, en te weinig op de ruimte eromheen. Ouders die van het stadsleven houden, en die een allegaartje aan mensen juist leuk vinden, willen volgens haar best concessies doen aan het aantal vierkante meters en de grootte van hun balkon, zolang de kinderen maar veilig buiten kunnen spelen. Felder heeft veel concrete ideeën. Zo stelt ze „verblijfsstraten” – straten waarin kinderen kunnen spelen en volwassenen kunnen zitten – en „langzaamaanroutes”. Schoolpleinen zouden voor alle soorten ouders en kinderen aantrekkelijker kunnen worden gemaakt, eventueel met sportvelden op de platte daken van de scholen. Succesvol zijn ook binnentuinen bij appartementencomplexen, brede trottoirs, en grote centrale plekken in het midden van de bebouwing, met ruimte om te voetballen, bankjes voor volwassenen, al dan niet met een horecagelegenheid waar je een cappuccino kunt halen. Weg met die postzegels van speeltuinen met een klimrekje en een wipkip: ouders hebben geen zin om daar in hun uppie te zitten vernikkelen. Bovendien zijn die plekken vaak uit zicht. Zet daar dan liever de auto’s neer.

Felder weet dat de mensen die hierover de baas zijn, echt snappen dat dit belangrijk is. Sterker: het zijn de yupps (twee p’s!), de young urban professionals die parents zijn geworden, die tegenwoordig mede het stedelijk ruimtelijk beleid bepalen. Maar de realiteit is weerbarstig. Wil je een leuke stad houden, menen Felder en Karsten, dan moet je ingrijpen en sturen. Een succesvolle samenleving begint met een potje buskruit tussen kinderen als Lara, Wouter, Layla en Zameelah.