Schilderkunst Van westers realisme naar abstractie

Ze waren niet allemaal Vlaams, en allesbehalve primitief. Maar de olieverftovenaars die we nu kennen als Vlaamse Primitieven ontwikkelden rond 1450 een schilderkunst die hun opdrachtgevers technisch en emotioneel verblufte en nog steeds drommen mensen ontroert. De religieuze taferelen van Rogier van der Weyden en Dirk Bouts, de portretten van Hans Memling en Petrus Christus, de altaarstukken van Hugo van der Goes en Jan van Eyck luidden niet alleen de noordelijke Renaissance in, maar maakten ook grote indruk op kunstenaars uit Italië en Spanje en legden het fundament onder het westers realisme.

Net als de Primitieven waren de kopstukken van het impressionisme – Manet, Monet, Morisot, Degas, Pissarro, Sisley, Renoir – vooral geïnteresseerd in de reflectie van het licht. Maar ze keerden zich ook op andere manieren tegen het academisch schilderen in de negentiende eeuw: ze gingen de vrije natuur in, schilderden hun landschappen en scènes uit het dagelijks leven met behulp van de verftube en de fotografie, en brachten hun verfstreken dik en krachtig zonder al te veel mengen op. Daarmee stond het impressionisme aan de basis van de moderne en zelfs de abstracte kunst.

De abstracte, non-figuratieve kunst heeft vele vaders, maar het is Piet Mondriaan die als de belichaming ervan geldt. In het eerste kwart van de twintigste eeuw ging hij onder invloed van de Parijse kubisten en de Stijlgroep van realistische afbeeldingen naar composities van kleurvlakken en dikke zwarte lijnen, en van expressionistische zeegezichten naar rood-geel-blauwe ‘Composities’. In zijn door jazz beïnvloede ‘Boogie Woogie’-schilderijen (1942-1944) liet hij de zwarte lijnen oplossen in kleurvlakjes. Zo kwam hij het dichtst bij zijn ideaal; schilderijen met een perfect kleurenritme. (PS)