Pensioenpaniek is totaal onnodig

Hoezo is ons pensioensysteem onhoudbaar? Bernard van Praag hekelt het SER-rapport en vindt dat 65-plussers moeten kunnen meepraten.

Illustratie Hajo

Vorige week werd het rapport ‘Verkenning persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling’ door de SER goedgekeurd. Zoals bekend staat het Nederlandse stelsel van aanvullende pensioenen de laatste jaren ter discussie. De uitspraak dat het huidige Nederlandse pensioensysteem ‘onhoudbaar’ is geworden, is inmiddels deel van ons collectieve onderbewustzijn. Maak ons midden in de nacht wakker en vraag naar het pensioensysteem, en we stamelen gehoorzaam ‘onhoudbaar’ en draaien ons om.

Het probleem is dat er een soort gesloten kaste is ontstaan van kenners van de materie, allen devote gelovigen in het onhoudbaarheidsdogma. Voor buitenstaanders is het praktisch onmogelijk om de beweringen te toetsen. Zij beschikken niet over de databestanden van DNB, de modellen van het CPB en menselijke hulptroepen om beweringen te checken en aannames te onderzoeken (bijvoorbeeld: de rentevoet daalt en blijft dalen).

Natuurlijk gaat het hier niet om een strikt wetenschappelijke discussie, maar om besluitvorming met ingrijpende en permanente maatschappelijke gevolgen, waarvan niet alleen de huidige 3,5 miljoen pensioengerechtigden maar op middellange termijn de hele Nederlandse beroepsbevolking de effecten zal ondervinden. De pensioentrekkers zijn wel het hardst geraakt en daarom is het opmerkelijk dat de 65-plussers op geen enkele manier mogen meepraten in de SER.

Het idee dat het pensioensysteem zelf door en door verrot zou zijn, beangstigt intussen hoe langer hoe meer jongeren, waardoor de bereidheid om te participeren in een ten dode opgeschreven systeem verdwijnt. Ouderen trekken zich de haren uit het hoofd dat ze geloofd hebben in de jarenlange toezeggingen voor een onbezorgde oude dag.

Het voornaamste toetsingscriterium voor de gezondheid van pensioenfondsen is de zogenaamde dekkingsgraad en bij de berekening daarvan speelt de gekozen rentevoet waarmee de toekomstige verplichtingen van het fonds worden gedisconteerd een cruciale rol. De Nederlandsche Bank koos ervoor die rente per maand vast te stellen op het gemiddelde van de ‘risicovrije’ rentevoet over de afgelopen twaalf maanden. Die rentevoet varieert echter van maand tot maand en zodoende schommelt ook de dekkingsgraad sterk. Dit leidt tot de constante paniek over de vermeende verslechtering van de toestand van pensioenfondsen. Er is geen enkel belang gediend met de keuze van zo’n volatiele rentevoet en er is ook geen enkele reden voor. Pensioenen gaan over verplichtingen die worden gemeten in decennia. Het zou dus voor de hand liggen een voortschrijdend gemiddelde over een termijn van tien of twintig jaren als basis te kiezen.

Een nog fundamenteler bezwaar is de keuze voor de risicovrije rente op zich. Dit gaat uit van de fictie dat een pensioenfonds alleen belegt in staatsobligaties en daarmee te vergelijken stukken. Het goed beleggende fonds heeft echter een veel grotere spreiding, inclusief aandelen en vastgoed. Fondsen als ABP of Zorg en Welzijn maken over de laatste decennia een gemiddeld rendement van 6 à 7 procent en dat geldt voor soortgelijke fondsen wereldwijd.

Door die door DNB nauwelijks beargumenteerde keuze voor de lage risicovrije rente (nu op ca. 1 procent), komt de dekkingsgraad absurd laag uit. Dit suggereert voor de meeste fondsen een acute noodsituatie, terwijl er bij keuze voor een voorzichtige rente van ca. 3 procent voor de meeste fondsen helemaal geen noodsituatie bestaat. Paniek over het ‘beste systeem ter wereld’ is onnodig. Hieraan besteedt het SER-rapport geen aandacht.

Een tweede bezwaar dat men momenteel vaak hoort, gaat over de eigendomsrechten. Een pensioendeelnemer heeft geen recht op een ‘aandeel’ in de reserves van het fonds maar slechts op een ‘aanspraak op pensioen’. Vooral vanuit de jongeren en D66 wordt geïnsinueerd dat dit ertoe leidt dat ouderen onbekommerd de pot opeten ten koste van jonge pensioenspaarders. Ook deze stelligheid staat in schrille tegenstelling tot de transparantie en sterkte van de bewijsvoering. Daarom is het verheugend dat zelfs professor Lans Bovenberg, die toch wel beschouwd mag worden als de onbetwiste initiator van het nieuwe Nederlandse pensioendenken in een recent interview in De Actuaris van mei 2016, tot de volgende uitspraak komt: „Door de lage rente zijn de langjarige verplichtingen aan jongeren geëxplodeerd. Tegelijkertijd betalen de werkenden te weinig premie voor hun rechten omdat voor nieuw op te bouwen verplichtingen hogere rentes worden gehanteerd. De werkenden worden nu dus fors gesubsidieerd door de gepensioneerden.”

Op het transparant maken van de eigendomsrechten heeft de SER de focus gelegd. Maar het gaat wel ten koste van heel wat. Het systeem van individuele potjes leidt namelijk tot een uitermate onzeker pensioen. Uit de berekeningen blijkt dat het pensioen voor iemand die geboren is in 1993 bij een ‘goed weer’-scenario zou kunnen uitkomen op ca. 160 procent middelloon, maar dat bij een ‘slecht weer’-scenario het pensioen zou kunnen uitkomen op ca. 30 procent. Een flinke prijs voor het kennen van mijn pensioenpotje. De SER moet nog maar eens verder nadenken.