Geen doofpot, wel falende Justitietop

Het ministerie van Veiligheid en Justitie kón niet eens een doofpot regelen. Daarvoor was het te slecht georganiseerd, zegt de commissie-Oosting.

Gebrek aan regie, miscommunicatie en een verziekte werksfeer in de top van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dat waren de oorzaken voor het onvindbaar blijven van het bonnetje van de Teevendeal, constateerde de commissie-Oosting gisteren in een tweede rapport over de politiek gevoelige affaire.

Er was geen georganiseerde strategie om het bonnetje achter te houden. Maar Oosting vraagt zich in het rapport af of het ontbreken van een doofpot de zaak „per saldo” minder erg maakt. Misschien juist niet.

Voor een ‘doofpotstrategie’ was er in elk geval „organisatorisch vermogen” en „bestuurskracht” nodig geweest. Maar nee. Tussen topambtenaren was er een cultuur van „ieder voor zich”.

In maart 2014 berichtte Nieuwsuur over een miljoenendeal die toenmalig staatssecretaris Fred Teeven in 2000 als officier van justitie sloot met Cees H. Ivo Opstelten, op dat moment minister van Justitie, zei in de Tweede Kamer dat niet achterhaald kon worden hoeveel geld H. had gekregen.

In maart 2015 vond Nieuwsuur het ‘onvindbare’ betalingsbewijs. Het ging om 4,7 miljoen gulden. Kort daarna werd ook door de overheid het betalingsbewijs gevonden – door ICT’ers. Het stond op een ‘tape’ met de back-up van een oud justitieel computerprogramma. Opstelten en Teeven stapten op.

Die back-up-tapes hadden de ICT’ers al negen maanden eerder gevonden, in juni 2014, zo meldde Nieuwsuur begin dit jaar. De suggestie werd gewekt dat de ICT’ers van hogerhand opdracht hadden gekregen om hun zoektocht te staken. In werkelijkheid verliep het chaotischer.

Op 3 juni 2014 schreef Opstelten aan de Tweede Kamer dat een extern onderzoek had uitgewezen dat het bonnetje niet te vinden was. De ambtenaar die op Justitie de ICT-dienst aanstuurt, Coen Hogendoorn, wist niet wat hij las. Hij herinnerde zich dat er nog back-ups waren van oude justitiële systemen.

Op Hogendoorns verzoek zochten en vonden de ICT’ers de tapes. Maar het is ingewikkeld en duur om die uit te lezen. Dit dossier was ook zo politiek gevoelig dat Hogendoorn eerst naar zijn directe leidinggevende ging: de hoogste ambtenaar, secretaris-generaal Pieter Cloo.

Volgens Hogendoorn reageerde Cloo passief en kortaf. Hij zei: „Goed om te weten.” Tegen NRC weerspreekt Cloo dit stellig: pas in 2015 hoorde hij van de back-up-tapes, na de ontdekking van Nieuwsuur.

De commissie noemt de verklaring van Hogendoorn aannemelijker dan die van Cloo. Hogendoorn had direct aan anderen verteld dat hij bij Cloo was langsgeweest.

Pikant detail: Cloo was in 2012 secretaris-generaal geworden op uitdrukkelijk verzoek van Opstelten. Ambtenaren moesten weinig van deze benoeming hebben.

Over de rol van de huidige minister Ard van der Steur, toen hij nog VVD-Tweede Kamerlid was, is weinig in het rapport terechtgekomen. Hij maakte opmerkingen bij een paar van de 29 conceptversies van de brief die Opstelten op 3 juni aan de Tweede Kamer stuurde. Van der Steur deed tekstsuggesties „in het kader van de politieke sondering”, schrijft Oosting. Eerder meldde NRC al dat Van der Steur over een passage opwierp of Opstelten dit wel met de Kamer moest delen.

Naast de back-up was er nóg een plek waar het betalingsbewijs voor het oprapen lag: bij het OM, in een strafdossier van Cees H. Dat wees de eerste commissie-Oosting al uit. Na het opstappen van Opstelten en Teeven ging de Erfgoedinspectie op zoek. Die vond het bonnetje in twintig minuten.