Column

Een mening

Vanochtend trapte ik bij het verlaten van mijn huis bijna op een hoofddoek. Twee jonge moslima’s bleken in mijn portiek te zitten. Ze moesten een jaar of vijftien, zestien zijn en lieten uit schrik hun sigaretten vallen. In een plas.

„Sorry!” zei ik.

„Sorry!” zeiden ze.

„Ik heb voor minstens een euro vijftig aan tabak verknald!” riep ik. De meisjes zeiden dat ze toch probeerden te stoppen. Ik gaf ze een handvol smintjes en beloofde dat ze de rest van de dag mijn portiek mochten gebruiken. Ik kon zelfs een dekentje brengen als ze het koud kregen. De meisjes lachten, namen weer plaats, en ik wandelde richting de metro. Het beeld van de rokende moslima’s gonsde na en deed me denken aan mijn eigen tienertijd. Ik was toen omgeven door vrienden die van hun ouders niet mochten roken. Wie nog thuis woonde had even veel privacy als een dakloze. Ik heb in die jaren ook in heel wat portiekjes gezeten. Uit solidariteit met mijn in het geniep rokende kameraden bracht ik uren door in de nissen van de stad. Kou lijdend en zo vriendschappen smedend.

Degenen die het bangst voor ontmaskering waren, en dus de ene na de andere opstaken, waren de gelovige leeftijdsgenoten. Een vriendin was Nederlands Hervormd en pafte als een rastafari. De enige reden dat ze niet ook een sigaret in haar neus stopte, was omdat ze grote neusgaten had en niet zeker wist of de rookwaar wel zou blijven zitten. Een uur voor ze naar huis ging waste ze haar haren, douchte ze en scrubde ze haar tong. Ze dronk een groot glas muntthee om haar slokdarm op te frissen. Als we haar hadden wijsgemaakt dat WC-verfrisser hielp tegen een slechte adem, had ze haar mond ermee volgespoten.

„Je ouders zullen het heus wel ruiken, hoor”, zei mijn moeder geamuseerd als mijn vriendin de plooien uit haar rookgordijn streek. „Rook ruik je hoe dan ook, daar zijn onze neuzen op getraind, dat heet overleven.”

„Ze zullen er niets van merken!” riep mijn vriendin dan. Ze was op verschillende manieren gelovig. Ze overleefde dus ook op verschillende manieren.

„En anders ontken ik het gewoon. Roken is ook maar een mening.” Zei ze.

Toen ik ’s avonds thuiskwam waren de moslima’s weg. Mijn stoep was een strooiveld vol sigarettenstompjes. De meisjes moeten er de hele middag hebben gezeten. Met tussen hun twee vingers hun eigen mening, die ze opstaken zodat hij in rook kon opgaan. Ze hadden een mening die niet goed was voor hun longen, maar wel voor hun vrijheid.