Bob Dylan weet zelf ook wel dat hij Sinatra niet is

Het is verleidelijk om de muziek van de deze week jarige Bob Dylan (75) af te zetten tegen zijn oude platen. Blonde On Blonde uit 1966 bijvoorbeeld. Toen was hij jong en rebels, nu is hij drie keer zo oud. Toen was hij flexibel genoeg om in twee uitzonderlijk creatieve jaren meer dan veertig fantastische nieuwe songs de wereld in te sturen. Nu beperkt hij zich tot covers van nummers die door Frank Sinatra bekend werden gemaakt. De Dylan van zijn voorlaatste album Shadows in the Night en het uit dezelfde sessies voortgekomen Fallen Angels is een krasse showbizzveteraan die zelf ook wel weet dat hij geen Sinatra is, maar die hartstochtelijk teruggrijpt op de muziek uit zijn jeugd. Western swing en orkestrale pop uit de jaren veertig bepalen het universum van His Bobness, die bij concerten nauwelijks meer te porren is om zijn eigen sixtiesrepertoire te spelen.

Frank Sinatra is God en Dylan speelt zijn nederige discipel in de twaalf zorgvuldig georkestreerde en eerbiedig gezongen stukken van Fallen Angels. Van onbedoeld ironisch in ‘Young at Heart’ (‘If you should survive to a hundred and five...’) tot de beheerste swing van ‘All or Nothing At All’ is het een product van echte liefde voor dit materiaal, waarbij de authenticiteit van ambachtelijk gespeelde muziek vooropstaat en de zanger soms de hoge noten niet haalt. Lange intro’s van ‘Polka Dots and Moonbeams’ en ‘Melancholy Mood’ doen vermoeden dat Dylan deze nummers vooral opnam om er zelf naar te kunnen luisteren. Niemand mag van hem verwachten dat hij de creatieve piek van Blonde On Blonde opnieuw haalt. Maar zijn laatste album met eigen materiaal, Tempest uit 2012, was vurig en oorspronkelijk genoeg om te betreuren dat Dylan zich op Fallen Angels hardnekkig ingraaft in een ander dan zijn eigen artistiek verleden.