300 bladzijden en toch weer vragen

De meeste Tweede Kamerleden zijn klaar met de Teeven-deal. Toch liggen er nog vragen: over premier Rutte en de ministers Blok en Van der Steur.

Voormalig ombudsman Marten Oosting kwam gisteren met zijn tweede rapport over de Teeven-deal. foto david van dam

Sommige politici moesten even zin maken, woensdag. Bonnetjesmoeheid. Het electoraat vindt de Teeven-deal ook niet meer interessant, geloven ze. „De gewone burger op straat wordt hier cynisch van”, zei bijvoorbeeld Gert-Jan Segers (ChristenUnie). „Die denkt: zie je wel, ze houden elkaar allemaal de hand boven het hoofd, daar in Den Haag.”

Toch komt, nu de commissie-Oosting haar tweede rapport heeft gepresenteerd, het lezen en speuren naar losse eindjes op gang. En naast de inmiddels bijna traditionele kritiek op het gebrek aan regie dat op het ministerie van Veiligheid en Justitie heerst, liggen er nog genoeg vragen open. Ondanks de belangrijkste conclusie van oud-ombudsman Marten Oosting dat „geen sprake is geweest van een doofpot”, omdat het ministerie volgens hem te klungelig opereerde om zoiets überhaupt georganiseerd te krijgen.

Bemoeide premier Mark Rutte zich toch met het al dan niet instellen van een onderzoek door de Algemene Rekenkamer naar de deal, in april 2014? Volgens het eerste rapport-Oosting en hemzelf niet. Maar in het nieuwe rapport staat een korte passage dat wordt afgezien van zo’n onderzoek, na „goed overleg” met het ministerie van Algemene Zaken en de minister-president. Hoe zit dat?

Blok las een ‘relevant’ memo

Zo’n vraag kun je ook over Stef Blok stellen, de VVD’er die tijdelijk waarnam op het ministerie van Veiligheid en Justitie toen Ivo Opstelten opstapte. Hij las een volgens Oosting „zeer relevant” memo dat de commissie pas bij dit tweede onderzoek te zien kreeg. Voor Blok was het een „onbegrijpelijk” verhaal, hij keek er „niet meer dan dertig seconden” naar. Toevallig stond er wel precies in wat tv-programma Nieuwsuur begin dit jaar onthulde. Dat al in juni 2014 bekend was dat er misschien wél bestanden met het afschrift van de schikking met Cees H. waren.

Waarnemend minister Blok vond dat het „niet op zijn weg lag om met zijn ‘volkomen vol geramde’ agenda daar nog eens uitgebreid studie naar te doen”, zei hij tegen de commissie. Die verbindt daar geen oordeel aan, terwijl ze over topambtenaar Pieter Cloo wel uitweidt waarom híj dat belangrijke stuk aan de commissie had moeten geven.

Evident was woensdag dat huidig minister Ard van der Steur in het debat over het onderzoek – nog onduidelijk wanneer dat is – aan zijn oud-collega’s uitleg mag geven over de adviesrol die hij voor minister Opstelten vervulde. Die bleek vrij groot.

Van der Steur en Opstelten

In het gespreksverslag tussen Van der Steur en de commissie staan de drie criteria waaraan Van der Steur de Kamerbrieven van Opstelten toetste, vóórdat zijn collega’s die kregen: „Begrijp ik wat er staat, roept het vragen op die niet door de tekst worden beantwoord en klopt het met hetgeen eerder aan mij als Kamerlid is meegedeeld?” Zoals Sybrand van Haersma Buma samenvatte: „Hij zat er als Kamerlid tot over zijn oren in.”

Pijnlijk is ook dat Van der Steur in het debat over het vorige rapport van Oosting juist de ICT’ers de schuld gaf van het onvindbaar blijven van het afschrift. Hij zei dat het bonnetje al in 2014 gevonden had kunnen worden „als ze de juiste mensen voor de ICT hadden gehad”. Die hádden ze dus.

De coalitie is duidelijk „klaar met dit dossier”, in de woorden van justitiewoordvoerder Jeroen Recourt (PvdA). „We zijn weer 300 pagina’s feiten verder. Ik geloof niet dat hier sprake is geweest van een doofpot.” Zijn collega’s uit de oppositie weten het zo net nog niet.

Gert-Jan Segers trekt de belangrijkste conclusie van de commissie voorzichtig in twijfel: „Het lijkt erop dat het de top van het ministerie wel heel goed uitkwam om iets niet meer te weten.”