Column

Trump en de geringere steun voor vrijhandel

‘Where jobs are squeezed by Chinese trade, voters seek extremes’, kopte The New York Times vier weken terug, naar aanleiding van een onderzoek van David Autor en drie andere economen. Amerika ziet met verbazing hoe het politieke midden wordt verpulverd. Op rechts heeft Donald Trump de nominatie verworven, ondanks de afkeer van het Republikeinse establishment. Op links heeft het succes van Bernie Sanders iedereen verrast. Bij alle verschillen hebben zij één ding gemeen: hun afkeer van China. Stop de Chinezen, ze pikken onze banen!

Amerikaanse politici kunnen worden ingedeeld op een links-rechts schaal op basis van hun stemgedrag in het Congres. Je zou denken dat politiek meer is dan dit eendimensionale onderscheid, maar dat valt tegen. Eén links-rechts indicator volstaat. Amerika is afgelopen decennia sterk gepolariseerd, zo blijkt. De meest linkse Republikein is tegenwoordig rechtser dan de meest rechtse Democraat. Vandaar dat Obama geen zaken kon doen met een Republikeins congres: politiek hebben ze niks gemeen.

Zoals bekend hanteert Amerika voor het Congres een districtenstelsel. De districten verschillen sterk in de manier waarop ze hun brood verdienen. Sommige zijn zwaar getroffen door de concurrentie uit China, met name districten met veel banen in laagwaardige maakindustrie, Andere hebben daar nauwelijks last van. De onderzoekers zochten uit hoe bij verkiezingen in de laatste vijftien jaar de politieke kleur van de verkozen kandidaat afhankelijk was van de kwetsbaarheid van de lokale werkgelegenheid voor concurrentie uit China. Het antwoord is simpel: dat effect is groot. Een hoge kwetsbaarheid voor Chinese concurrentie ondermijnde de kansen van een zittend Congreslid: hij of zij heeft onze banen niet kunnen beschermen en moet daarom weg. Soms gebeurde dat door een wisseling van partijen; soms ging het om een interne machtsovername. Als een zittende Democraat werd weggestemd ten faveure van een partijgenoot, dan was die een stuk linkser; als een Republikein werd weggestemd ten faveure van een partijgenoot, was die een stuk rechtser. Dat leidde in de Republikeinse partij tot een ruk naar rechts, zie de opkomst van de Tea Party.

De kiezers zijn op drift geraakt door bedreigingen in hun levensonderhoud. Die zijn ook geen perceptie – ze bestaan echt. De districten die er last van hebben, geven daar uiting aan in hun stemgedrag. Andere districten niet. Het opmerkelijke is dat kiezers totaal verschillende ideeën hebben over de oplossing van hun probleem: het ene district beweegt naar links, het andere naar rechts. In de antwoorden zit een patroon: de witte middenklasse beweegt naar rechts, zwarten en Hispanics gaan naar links.

Dit verschijnsel komt Nederland bekend voor. We zien een simultane opkomst van de twee flanken, PVV op rechts, SP op links. De regionale spreiding van die verschuiving verraadt een soortgelijk patroon als in Amerika: reële belangen van mensen spelen een grote rol bij hun stemgedrag.

Misschien moeten wij daarom nadenken over het economische beleid. Op de lange termijn is vrijhandel in ieders belang. Op de korte termijn, de termijn die relevant is voor het dagelijks leven van kiezers, worden degenen die hun baan verliezen door vrijhandel echter zwaar getroffen. De veelgeprezen om- en bijscholingen zijn mooi en aardig, maar onvoldoende. Een goede werkloosheidsuitkering, met name voor ouderen, is onmisbaar. Misschien zijn we daar te zuinig mee geworden, ten koste van de politieke steun voor een open wereldmarkt. Dat is dan penny wise, maar pound foolish.