OESO wil dat niet de leerkracht het schooladvies geeft

Onderwijs Eén centrale eindtoets moet het schooladvies na de basisschool bepalen, adviseert de club van industrielanden.

Foto ANP / Koen Suyk

Niet de leerkracht maar een landelijke eindtoets moet de vervolgopleiding voor basisschoolleerlingen gaan bepalen. Dat adviseert de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de club van ontwikkelde landen uit Parijs. Deze woensdag heeft de organisatie op verzoek van het ministerie van Onderwijs een uitgebreid rapport uitgebracht over het Nederlandse onderwijs.

Dit advies staat lijnrecht tegenover de hervorming van afgelopen jaar. Hierbij werd de eindtoets van groep 8 naar het einde van het schooljaar geschoven. Daardoor bepaalt nu vooral de leerkracht of een leerling naar vwo, havo of vmbo gaat, met mogelijke bijstelling achteraf als de eindtoets hoger uitvalt.

Ook de Inspectie van het Onderwijs constateerde vorige maand dat dit systeem nadelig is voor kinderen van laagopgeleide ouders. Volgens de OESO kan de voorselectie niet worden overgelaten „aan het zeer variabele oordeel van lokale spelers”. Dat leidt tot grote ongelijkheid. De OESO ziet ook graag één enkele nationale test aan het einde van de basisschool die „uitgebreid zou kunnen worden over een breder scala van competenties dan nu het geval is”.

Toch willen minister Bussemaker (OCW, PvdA) en staatssecretaris Dekker (OCW, VVD) de eindtoets niet allesbepalend maken. „Zo’n eindtoets met het hele gezin aan de pillen, geen herkansing, daar zijn we vanaf’’, zegt hij. Het schooladvies kan wel worden bijgesteld op grond van de eindtoets. „Die toets kan wat zwaarder wegen en in het schooljaar naar voren worden gehaald”, zegt Dekker. Bussemaker wil „de professionele docent meer ruimte geven”, zegt ze. „Die willen het beste uit de leerling halen. Maar we zijn allemaal op een bepaalde manier bevooroordeeld. En leraren zijn gevoelig voor druk van ouders en dat is menselijk. De toets moet daarop corrigerend werken”.

Volgens Tijana Prokic-Breuer, mede-opsteller van het OESO-rapport, zijn er weinig landen die leerlingen op zo jonge leeftijd voorselecteren als Nederland. Dat moet dan wel met een objectieve test gebeuren. Leerlingen moeten volgens haar ook later een te lage schoolkeuze kunnen „terugdraaien” door naar een hoger schooltype over te stappen.

Daar zijn de bewindslieden het mee eens. „Er moeten doorgaande lijnen komen in het onderwijs”, aldus Dekker. Nu sluiten opleidingen te slecht op elkaar aan. Volgens Bussemaker moet met name de overgang van het vmbo naar het mbo en van het mbo naar het hbo vloeiender verlopen. Vakken worden onnodig herhaald of moeten juist worden bijgespijkerd.

Beginnende leraren hebben ook te weinig begeleiding om op de verschillende niveaus van de leerlingen les te kunnen geven. Vandaar de geringe motivatie van leerlingen en de relatieve wanorde in de Nederlandse klas. Volgens mede-auteur Marco Kools hebben beginnende leraren minstens drie jaar begeleiding nodig.

Overigens is het OESO-rapport lovend over het Nederlandse onderwijs in vergelijking met dat van andere welvarende landen. Vooral de gelijkheid en de manier waarop kansarme leerlingen worden meegetrokken, vallen op. Ook kinderen van immigranten zijn gemiddeld beter af dan elders. Het beroepsonderwijs is goed. Er zijn weinig topprestaties, maar het gemiddelde ligt hoog. „De leerlingen zijn ongemotiveerd en redelijk ongedisciplineerd, maar ze scoren hoog in Europa”, zo vat Prokic-Breuer het samen. Het is volgens haar moeilijk te begrijpen hoe een systeem met zulke grote autonomie en vroege voorselectie zo goed uitpakt.

De OESO waarschuwt tegen drastische hervormingen. „Omdat het Nederlandse schoolsysteem goed werkt op het gemiddelde en op gelijkheid, is het moeilijk een radicale verandering zoals instelling van een middenschool te bepleiten.”