Column

Not Good

‘Ik wil een abortus.” Ze spreekt de woorden uit, nog voor ze zit. Schichtig kijkt ze om zich heen, friemelt aan haar telefoon. „Ik kan hier maar heel kort zijn. Hij houdt me in de gaten. Hij kan elk moment bellen. De zwangerschap moet stoppen, dokter. Ik was hier eergisteren met Carter, met dat verhaal van die bloeding… Dat was alleen maar om hem te laten denken dat het een miskraam wordt.”

„Maar Ashley, waarom mag hij niet weten…”

„Hij slaat me”, zegt ze. Ze stroopt haar mouw op. Op haar bovenarm zie ik drie blauwe plekken. „Ik wil zo geen kind de wereld in brengen.”

„Maar wil je zelf geen hulp?” Ze schudt resoluut haar hoofd, trekt haar mouw weer naar beneden. „I am OK.” Ashley wil niet over woman support horen. Ze wil niet bij hem weg. Ze wil alleen een abortus.

Ik zie weer voor me hoe ze eergisteren voor me zaten. Zij in een kleurige blauwe zomerjurk, bijpassende oorbellen, blosjes op de wangen. Hij ernaast, zorgzaam, ongerust. Hij hield haar hand vast, aaide er zachtjes over.

„Ik heb tegen Carter gezegd dat ik nu naar de echo ben”, vervolgt ze. „Kunnen we morgen samen terugkomen, en dat jij dan tegen Carter zegt dat de echo liet zien dat er geen hartslag was? Dat ik een curettage nodig heb?”

Ik zwijg beduusd. Mijn hersens draaien 1.000 toeren. Kan ik? Mag ik? Kan ik? Mag ik? Ik leg haar uit, dat ik niet mag liegen. „Oké. Dan moet ik hem dat zelf vertellen. Kun je me wel naar de gynaecoloog verwijzen voor een abortus? Maar zeg hem alsjeblieft dat hij het tegen Carter geen abortus noemt.”

Ashleys telefoon gaat. Meteen staat ze op. „Ik moet gaan.” Ze grijpt mijn hand. „Help me, dokter. Help me alsjeblieft.”

Ik wil haar hier houden, nog veel meer vragen, haar dwingen hulp te zoeken. Maar ze is al bij de deur. „Wacht.” Snel schrijf ik het nummer van woman support voor haar op. „Bel ze!”

Die middag ben ik vrij. Ik bel de gynaecoloog, die zegt dat ik haar maar gewoon moet verwijzen, maar dat hij niet kan liegen uit ethisch oogpunt. Ik bel woman support, die zeggen dat ze niks kunnen doen als ze zelf geen hulp wil. Ik praat met een collega, die zegt: „Moeilijk, dit soort situaties. Succes.” Ik weet niet meer wie ik moet bellen en ga met de hond op het strand lopen. Terwijl die in de verte achter een meeuw aan zit, zoek ik naar zinnen die niet liegen, maar ook de waarheid niet zeggen. Ik vind er geen.

Een maand later zie ik ze opeens weer in de wachtkamer zitten. Mijn hart slaat een slag over. Volgens de brief van de gynaecoloog heeft ze twee weken geleden haar curettage gehad. Zou Carter het inmiddels weten?

Ik roep haar naam. Hij heeft haar hand weer vast. Opeens vind ik dat gebaar onfris en bezitterig. Ik zoek in zijn ogen naar woede, onberekenbaarheid. Maar ze kijken met name verdrietig.

„We zijn hier voor de nacontrole”, zegt Ashley. „We zijn erg geschrokken”, voegt Carter toe. Hij had geen idee dat een vroege zwangerschap zomaar mis kon gaan. „Kunt u nog eens uitleggen hoe dat kan?” Ik haal diep adem en kijk hem dan recht in de ogen. „I am sorry, Carter. Some pregnancies are just … not good. And then the only solution is to terminate them.”