Nieuwe ronde van schande voor Justitie

Teevendeal Andermaal blijkt het ministerie zeer slecht georganiseerd, maar, zegt de VVD, de verandering loopt al.

Minister Van der Steur wacht opnieuw een zwaar debat in de Tweede Kamer. Foto ANP / Bart Maat

Verbijstering, onthutstheid en andere krachttermen over het gebrek aan regie op het ministerie van Veiligheid en Justitie vermengen zich deze woensdag aan het Binnenhof met een flinke dosis politiek opportunisme.

De conclusies van het tweede onderzoeksrapport van de commissie onder leiding van oud-Ombudsman Marten Oosting schetsen opnieuw een mistroostig beeld van het ministerie van Veiligheid en Justitie in de jaren 2014 en 2015: verkokering, gebrek aan eenheid van optreden en het ontbreken van politieke sensitiviteit.

Geen wezenlijk anders perspectief dan het éérste rapport-Oosting, concludeert de commissie zelf. Eerder een „ondubbelzinnig bevestiging” van de bevindingen over de ‘Teevendeal’, de schikking tussen toenmalig officier van justitie Fred Teeven en drugscrimineel Cees H. in 2000.

Toch komt er een nieuwe ronde van schande spreken, van debat, van vermanende woorden en vragen over de rol van Ard van der Steur, nu minister van Veiligheid en Justitie. In de wandelgangen ontkent geen oppositiepartij dat deze verse lading negatieve publiciteit voor het kabinet en vooral voor de VVD hún electoraal prima uitkomt.

Van der Steur keek al eerder mee

Vraag één is of de Tweede Kamer vindt dat nu genoeg duidelijkheid bestaat over de vraag of de ambtelijke top wel of niet van de aanwezigheid van ‘het bonnetje’, het afschrift van de schikking, wist.

Uitsluitsel hierover geeft de commissie-Oosting niet. Verklaringen spreken elkaar tegen. De term parlementaire enquête viel dinsdag bij de oppositie in deze context.

Middelpunt van debat zal verder de rol van huidig minister Ard van der Steur zijn. Dinsdag waren er al oppositiepartijen aan het zoeken geslagen in het debatverslag van halverwege december vorig jaar, over het eerste rapport-Oosting – wat zei de minister ook alweer over zijn eigen betrokkenheid? Het ging toen onder andere hierover: Van der Steur en staatssecretaris Klaas Dijkhoff hadden in maart 2015, toen nog als Tweede Kamerlid, op het ministerie tips gegeven over een persbericht in reactie op Nieuwsuur, dat toen met nieuws over de deal met Cees H. kwam. Stom, had nooit gemoeten, zeiden ze allebei. Bij Dijkhoff voelde je dat hij het meende, bij Van der Steur niet echt.

In dit nieuwe rapport staat dat Van der Steur in deze zaak de toenmalig minster al eens eerder te hulp schoot. Bij de brief van 3 juni 2014, waarin minister Ivo Opstelten schreef dat het afschrift van de schikking niet meer te vinden was. Onzin, bleek later. Van der Steur las die brief en kwam met „een groot aantal redactionele aanpassingen, alsmede enkele inhoudelijke suggesties en vragen”, schrijft de commissie.

Het functioneren van het ministerie is al onderdeel van de volgende formatie

Ook Jeroen Recourt, justitiewoordvoerder van de PvdA, kreeg die brief. Hij maakte „mondeling enige algemene opmerkingen”, vertelde Recourt de onderzoekscommissie, die hij zich niet meer „naar de letter” kan herinneren.

Geen oppositiepartij kan Tweede Kamerleden van de coalitie verwijten dat ze vooroverleg met bewindspersonen voeren. Dat doen ze zelf ook als ze regeren en ook nu soms, omdat de oppositie nodig is voor een meerderheid in de senaat. Alleen waar ligt de grens? Bij het meeschrijven aan brieven? En had Van der Steur deze eerdere bemoeienis niet beter uit zichzelf aan de Tweede Kamer kunnen vertellen?

Geen van de fractievoorzitters vroeg in het debat in december of Van der Steur al eerder in deze zaak had geholpen. Dat betekent niet dat ze het niet hadden wíllen weten, zal de oppositie redeneren.

Rondje prijsschieten voor oppositie

De coalitie steunt Ard van der Steur. In de VVD zien ze dit tweede rapport vooral als extra rondje prijsschieten voor de oppositie. Want alle ambtelijke hoofdpersonen uit deze zaak zijn inmiddels van het ministerie vertrokken, er zijn verandertrajecten in gang gezet en leiderschapsprogramma’s zijn aangekondigd. Wat kan een nieuwe bewindspersoon daar méér aan toevoegen?

Plus: over tien maanden zijn er verkiezingen. Dat het functioneren en de grootte van het ministerie van Veiligheid en Justitie onderdeel wordt van een nieuwe kabinetsformatie is al lang duidelijk.