Niemand durft zijn mond open te doen

Na 36 dienstjaren levert Jan Struijs zijn uniform in om voorzitter te worden van de Nederlandse Politiebond. Weg met de bureaucratie en de protocollen, zegt hij. „Agenten voelen zich niet meer vertegenwoordigd in het politieke debat.”

De nieuwe voorzitter van de Nederlandse Politiebond, Jan Struijs: ''Het is tijd dat de politie meer naar buiten treedt". Foto Andreas Terlaak

„Jan!”

„Hoe is het?”

„Alles kits?”

„Bakkie?”

Zonder koffie geen politie. Vroeger filterkoffie, nu uit de automaat. Er was een tijd dat de koffie op politiebureau Marconiplein in Rotterdam dertig cent per kop kostte. Nou, dat is snel teruggedraaid, zegt Jan Struijs. „Bijna ontstonden er rellen.”

Struijs, 54 jaar, zit ontspannen, wat onderuitgezakt, in ‘de wacht’, zoals de kantine op bureau Marconiplein heet. Een ruimte vol tosti-apparaten en magnetrons. Agenten komen en gaan. Effe bakkie doen, ouwehoeren en weer door.

Maar de ‘oudjes’ blijven hangen. Gerard, Fred. Die kennen Jan nog van vroeger. Dit is zijn oude stek. Hier begon Jan Struijs in 1980 zijn carrière als agent. Hier werd hij al snel rechercheur, zo’n beetje de jongste van Nederland, waarna hij doorgroeide naar hoofd Criminele Inlichtingendienst in Rotterdam en schoolhoofd werd van de landelijke Politieacademie.

En deze dinsdag, na 36 dienstjaren bij de politie, levert hij uniform en badges in om vakbondsvoorzitter te worden bij de NPB, de Nederlandse Politiebond. De oudste en een van de vier invloedrijke politiebonden die Nederland telt.

Heftig, dat inleveren? „Nee”, zegt hij resoluut. Het is tijd dat de politie meer naar buiten treedt. Struijs wil laten zien waar de problemen zitten. De misstanden. De pijnpunten. Hij legde altijd al graag de vinger op de zere plek. Maar in uniform word je dat niet altijd in dank afgenomen. Als vakbondsman gaat het makkelijker.

„Hey Jan, gelijk zakelijk”, zegt oude makker Fred in het voorbijgaan. „Wat ga je doen met het ouderenbeleid?”

Jan slaat zijn armen over elkaar. „Dat vragen al die ouwe knakkers: Jan, hoe zit het?”

„Je moet eerlijk zijn”, zegt Fred. „Wat verwachten ze nog van al die oudere gasten?”

„Niemand vindt het normaal”, zegt Jan, „dat wij tot ons 67ste op Spangen surveilleren.”

„En nachtdienst gooit heel je ritme omver, hè.”

„We gaan de revolutie prediken, hoor.”

Fred loopt verder en draait zich nog éénmaal om. „Jan is een goeie harde werker. Vrijgevochten, hè.”

Veertien moorden in één jaar. Alleen al in Rotterdam-West. Wist Jan Struijs veel dat zoiets niet normaal is. Het was begin jaren 80, Rotterdam werd overstróómd met drugs en geweld en Struijs, een jong broekie, koos voor het avontuur. Zo’n roemrucht bureau als Marconiplein, dat leek hem wel wat. En hij is fervent Sparta-fan.

Hij pakte meteen zijn ruimte. Er was zóveel werk, alles wat je deed was goed. Je kon creatief zijn. Van de vier overvallen koos je de meest kansrijke om een dader te pakken. Op onderbuikgevoel. Daar dook je in en de rest liet je liggen. En dan al die junks op straat. Je liep achter ze aan en pakte ze voor een heterdaadje auto-inbraak.

Maar het was dweilen met de kraan open. Dat zag de gemeenteraad ook wel. Bestuurders gingen zich ermee bemoeien. Managers, politici. Die gingen zelf verzinnen hoe de politie boeven vangen moest. Zonder te luisteren naar de mensen op de werkvloer.

En zo sloop langzaam maar zeker de systeemdwang erin. De protocollen, de bestuurlijke rapportages. Dáár is het misgegaan, zegt Struijs. Dáár hoort hij politieagenten nu over klagen. „Als nu iemand aan de balie komt en zegt ‘mijn buurvrouw heeft voor de zoveelste keer mijn deur ingetrapt’, dan is het standaard antwoord: ‘Gaat u aangifte doen?’ Zo ja, dan bemoeien twaalf mensen zich ermee en zit de pijplijn helemaal vast. Vroeger stuurde je er gewoon een agent op af en was het vaak met een waarschuwing ook oké.”

Met de komst van de Nationale Politie drie jaar geleden was agenten minder bureaucratie beloofd. Nou, het is juist méér.

Op de gang versnelt een telefonerende agent zijn pas.

„Druk zeker, hè”, zegt Jan.

„Alles komt bij elkaar”, zegt de agent. „Eentje zag net effe een trammetje over het hoofd. Een ander is gesprongen van een flat.” Ook zijn er op het bureau wat woninginbraken gemeld en zijn er ergens in de wijk een paar mensen aan het knokken.

Zouden we niet realistischer over de mogelijkheden van de politie moeten zijn? Ja, vindt Jan Struijs. De verwachtingen zijn te hoog. Vroeger waren mensen al lang blij als een zaak was opgelost. Maar het is kiezen: wat pak je wel aan, wat niet. Schaarste in de opsporing is er altijd geweest. Dus moet de politie het ‘slimmer’ doen.

Maar laat over dát punt nu net een ontluisterend rapport zijn verschenen. De kwaliteit van de recherche is bedroevend, schreven vier politiewetenschappers in een onderzoek dat vorige week werd gestuurd aan de Tweede Kamer. Ze constateerden stroperige overlegstructuren, een onvermogen om vernieuwingen te implementeren en een gebrek aan vakmanschap bij rechercheurs. Kritiek op de organisatie wordt niet geaccepteerd en de vakbonden houden elke verandering tegen.

„Er staat een hoop waarheid in, maar dat laatste, daar geloof ik niet in”, zegt Struijs. „De vakbonden zijn júíst voor een organisatie die de tijdgeest aanvoelt. Mét goeie arbeidsvoorwaarden, dat wel. Maar ik heb de cao bekeken, die staat geen enkele vernieuwing in de weg.”

En al die oude rechercheurs dan, die volgens het rapport niet zijn meegegaan met hun tijd? „Hoho”, zegt Struijs. „Die rechercheurs maken wel driehonderd overuren per jaar. En dat terwijl nooit in hen is geïnvesteerd. Twintig jaar lang hebben ze gevraagd: geef ons meer opleiding. Hun talent is nooit gebruikt.”

Oud-collega Gerard schuift aan voor een bakkie. Samen hebben ze de grootste onderzoeken gedraaid. Bouterse, enorme hasjtransporten. Jan liep altijd voorop, Gerard erachteraan.

„Koningskoppel werden we genoemd.”

„Snip en Snap.”

„Ze wisten niet goed raad met ons.”

„Jan was gedreven, creatief”, zegt Gerard. „We zochten altijd de ruimte op.”

„In de grote zaken hadden we de meeste last van leidinggevenden”, zegt Struijs. „Die begrepen ons niet. Die keken alleen naar de cijfers, de korte termijn. Terwijl: soms had je bij een doodslag kans om door te pakken, om een criminele organisatie op te rollen. Maar dan diende de volgende moord zich alweer aan en zei de leiding: stoppen.”

En eerlijk is eerlijk, de IRT-affaire hielp ook niet mee. Voorheen konden ze een burger vragen drie maanden wat dubieuze types in een café in de gaten te houden. De drankrekening kon naar de politie. Maar na de IRT-affaire gingen zulke burgers infiltranten heten en moesten eerst tal van commissies zich erover buigen. Het hele burgernetwerk van Gerard en Jan moest plots het algemene informantennummer bellen. Gerard: „Ja, toen zei iedereen bij ons z’n abonnement op natuurlijk.”

Hierover vertellen bij de politie is lastig, weet Jan Struijs. Er is in de organisatie geen openheid. Niemand durft te zeggen waar het op staat. Gevolg: agenten voelen zich niet meer vertegenwoordigd in het politieke debat. „Dáár wil ik als vakbondsman verandering in brengen.”

Buiten, op de parkeerplaats achterom, verwisselen twee agenten een band. Spijker op de weg. „Netjes hoor”, zegt een agente, toekijkend. „Maar bij Verstappen ging het sneller.”

Een ander biedt ondersteuning aan.

„Bakkie?”

„Lekker.”