Kuil

Sinds er in onze straat werd gewerkt – de trambaan moest vervangen en er kwamen nieuwe leidingen en kabels – hadden De Dochter en ik er een attractie bij. Als ik tijdens de zorgdag echt niet meer wist wat we nu weer voor leuks moesten gaan doen, installeerden we ons voor het raam en bestudeerden we leven en werk van de oranje mannetjes beneden.

We zagen hoe langzaam ze werkten, wie de leiders en wie de volgers waren, we zagen ze vreten, hoorden ze naar elkaar schreeuwen en we vonden vooral die heel lange pokdalige grappig die met zichtbaar genoegen vanaf zes uur ’s morgens in z’n eentje een file stond te creëren. Alle auto’s die van de ringweg kwamen hield hij aan. Hij liet de bestuurders hun postcode zeggen en besloot daarna of ze moesten omdraaien of dat hij ze de wijk in stuurde, die daar helemaal niet op berekend was.

Het mooiste vond ik de reacties van buurtbewoners voor wie het leven er niet makkelijker op was geworden nu ze waren omgeven door een labyrint van kuilen, zandbergen en op de begaanbare stukken extra verkeer. Juist nu het onbegaanbaar was geworden kwamen ze naar buiten om te klagen dat ze niet meer naar buiten konden.

Er gingen verhalen over een buurvrouw die zich met haar Canta had vastgereden in een van de zandhopen, er werd geklaagd over poezen die door al dat extra zand veel meer poepten dan normaal, bij het buurtcafé werd gezegd dat er al drie klanten waren verdwenen in een kuil, maar de grootste ergernis was toch dat de wegwerkers te langzaam werkten.

„Ze doen niets”, zei een buurtbewoner die ik nog nooit iets had zien doen. „En als ze wat doen, doen ze het langzaam.”

Gisteren, we aten geprakte banaan, zag en hoorde ik een buurman bezig tegen een stuk of zes die in een zelfgegraven kuiltje zaten te schaften.

„Hal-lo!!”, riep hij naar beneden, alsof hij op een bergtop stond en in de verte wat wandelaars zag. Er kwam geen antwoord, hij zette zijn rollator in de zandberg.

Hij maakte van zijn handen een luidspreker en riep: „Vinden jullie dit normaal?”

In de kuil zaten ze elkaar met de broodtrommels tussen de benen verbaasd aan te kijken.

„Ja!”, riep er uiteindelijk eentje terug.