Is het fout om meer van films te houden dan van mensen?

Bij het National Theatre in Londen ging deze maand The Flick in première, het succesvolle toneelstuk van de jonge Amerikaanse schrijfster Annie Baker (Boston, 1981). Eerder was het stuk al te zien in New York en Chicago, en Baker kreeg er de Pulitzer Prijs voor. De voorstellingen in Londen zijn al maanden uitverkocht. Niet gek voor een eigentijds stuk van ruim drie uur, dat zich afspeelt in een oude, aftandse bioscoop.

In dat filmtheater – dat ook The Flick heet – wordt de 20-jarige schoonmaker Avery ingewerkt door zijn vijftien jaar oudere collega Sam. Sam koestert een heimelijke liefde voor filmoperateur Rose, maar zij is op haar beurt meer geïnteresseerd in nieuwkomer Avery.

Avery is niet alleen bij het oude filmtheater gaan werken omdat hij geld nodig heeft, maar ook uit liefde voor films. Het theater is een van de weinige bioscopen die de films nog steeds op 35 mm projecteert – zoals ze zijn bedoeld – en niet digitaal. Sam en Avery troeven elkaar voortdurend af – maar komen ook nader tot elkaar – door met hun filmkennis te pronken. Ze voeren twistgesprekken over de vraag of er in de laatste tien jaar nog wel echt grote Amerikaanse films zijn gemaakt („Avatar? Hou jij van Avatar? Dat is voor mij zoiets als zeggen dat je van baby’s doodmaken houdt”).

Schrijfster Baker is zelf een groot filmfanaat – Bergmans Fanny en Alexander zag ze „meer keren dan ik kan tellen”. Haar stuk bevat ook de nodige verwijzingen naar films die net als The Flick over een driehoeksverhouding gaan: Jules et Jim van Truffaut, maar ook, minder voor de hand liggend, Quatre nuits d’un rêveur van Bresson.

Maar de filmliefde wordt niet alleen gevierd in The Flick. Baker roept ook vragen op zoals: waar komt die liefde eigenlijk vandaan? Waarom is het vaak zoveel makkelijker om van films te houden dan van mensen? Is dat niet té gemakkelijk, een vlucht, een veilig hoekje om te schuilen? Waarom kunnen mensen wel met elkaar praten over hun favoriete films, maar niet over wezenlijke zaken? Is filmliefde eigenlijk „een afwijking” (Sam) of juist „het tegendeel van een afwijking” (Avery)? Zou het pas echt tragisch zijn om géén liefde voor films meer te kunnen voelen? Al die kwesties passeren de revue in de ogenschijnlijk alledaagse, banale gesprekken. Tussen de regels door, soms alleen door stiltes te laten vallen. Die lange stiltes zijn een soort handelsmerk van Baker. In de gedrukte tekst van The Flick komen regieaanwijzingen voor als „Opgeluchte stilte, die langzaam overgaat in een gênante stilte”. Prachtig.