Recht & Onrecht

Hogere uitgaven aan strafadvocaten is mede eigen schuld kabinet

Alleen met advocaten die niet afhankelijk zijn van de overheid gaat het goed. Op de sociale advocatuur wordt te sterk bezuinigd – en op de uitgaven aan strafrechtadvocaten verkijkt het kabinet zich.

 Het gaat goed met de advocatuur, zo blijkt uit de cijfers van ABN AMRO die de bank begin mei in haar branche update heeft gepubliceerd. Ondanks de tariefdruk door groeiende concurrentie en een kritische cliëntele voorspelt de bank voor dit jaar een omzetgroei van 4 %. De reden voor de verwachte groei ligt vooral in een toename aan rechtszaken door de “aanhoudende juridisering van de samenleving“, aldus de bank.

Maar dit goede nieuws betreft alleen advocaten die betalende zaken doen. De toekomst van de sociale advocatuur ziet er veel minder rooskleurig uit: de bank concludeert dat de marktgroei wordt “afgezwakt“ door de omzetdaling in de gefinancierde rechtshulp. Deze conclusie verbaast niet want advocaten die toevoegingszaken doen, klagen al langer over de moeilijkheden die de bezuinigingen in de gefinancierde rechtshulp met zich brengen. En de sociale advocatuur vreest dat er nog meer bezuinigingen op komst zijn, en de omzet dus verder zal dalen.

Want vorig jaar heeft de regering een commissie ingesteld die moest onderzoeken hoe er in de toekomst nog verder op de gefinancierde rechtsbijstand kon worden bespaard. In november 2015 heeft de commissie Wolfsen haar rapport ’Herijking rechtsbijstand - Naar een duurzaam stelsel voor de gesubsidieerde rechtsbijstand’ uitgebracht waarin een groot aantal voorstellen wordt gedaan om de kosten voor de gefinancierde rechtshulp te beperken, met name in familierechtzaken en in strafzaken.

De voorstellen van de commissie vielen niet bij iedereen in goede aarde. Bert van Tongeren, de algemeen deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, ziet hierin zelfs het gevaar dat de rechtsstaat “langzaam wordt afgebroken“. In een interview met radio 1 stelde Van Tongeren dat de regering “plannen bedenkt die de toegang tot het recht voor de meest kwetsbaren in de samenleving zal afsnijden.“

De deken maakt zich hier terecht zorgen over. En wat strafzaken betreft komt er nog bij dat de advocaten en hun cliënten door de voorgenomen bezuinigingen de dupe dreigen te worden van een misstand die niet aan hen te wijten is.

De gestegen kosten in de strafzaken hebben namelijk vooral te maken met een probleem dat al geruime tijd speelt: de lange ‘doorlooptijden’. Met andere woorden, de looptijd van een zaak - vanaf het moment dat het openbaar ministerie het dossier naar de rechtbank stuurt tot aan het vonnis – is te lang.

De lange doorlooptijden zijn voor een deel eraan te wijten dat officieren van justitie zaken zo snel mogelijk willen afronden. Ook het openbaar ministerie wordt immers afgerekend op de ‘output’, dus de zaken die op zitting worden gebracht. Dit leidt ertoe dat er (te) vaak een incompleet dossier naar de rechtbank wordt gestuurd; rechters klagen daar al langer over.

Daarnaast hangen de lange doorlooptijden samen met het feit dat de rechtbanken door bezuinigingen te kampen hebben met structurele overbelasting en een gebrek aan zittingscapaciteit. Als een zaak bijvoorbeeld moet worden aangehouden duurt het vaak maanden totdat er zittingsruimte kan worden vrijgemaakt om de zaak voort te zetten (zie over dit onderwerp ook mijn togacolumn van 4 mei jl.).

De wetgever moet zich dus straks bij de beoordeling van voorgenomen bezuinigingen op de gefinancierde rechtshulp niet blind staren op de kostenstijging van straftoevoegingen, maar moet met name de door bezuinigingen en werkdruk veroorzaakte problemen bij rechtbanken en openbaar ministerie oplossen.

De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, rechter of officier van justitie. Britta Böhler is advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.

Blogger

Britta Böhler

Britta Böhler studeerde rechten in Freiburg, waar ze ook promoveerde. Ze werkte aanvankelijk als advocaat in Duitsland en sinds begin jaren 90 in Nederland. Eerst bij Loeff Claeys Verbeke en daarna zelfstandig bij Böhler Advocaten. Ze was tot 2011 senator voor Groen Links. Ze schreef diverse boeken, waaronder 'Crisis in de rechtsstaat' en 'De Beslissing'. Britta Böhler is bijzonder hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.