Column

Dood van een frontsoldaat

Over de omvang van de extreemrechtse partijen in Europa zei Mohamed Sayem: „Die noem ik niet langer extremistisch, ze zijn gemeengoed geworden.” Marokkaanse Nederlanders die hun huwelijksproblemen oplosten door hun echtgenoten in Marokko te dumpen, spoorde hij op. Hun vrouwen ving hij op.

„Hij was streng en realistisch”, zegt zijn oude schoolvriend El Hossaine Boulachioukh. „Elke Marokkaan in Nederland hield van hem.”

Zondagnacht verongelukte Mohamed Sayem, directeur van de Stichting Steun Remigranten in Marokko, onderweg van Nador naar Berkane, omdat hij uitweek voor een hond. Zijn oude vrienden zijn in Amsterdam bij elkaar gekomen om hem te herdenken. „Ik noemde hem de frontsoldaat”, zegt Halim el Madkouri. „‘Nog twee maanden en dan eten we een visje in Saïdia’, zei hij pas aan de telefoon.”

In het voorjaar van 2005 ontmoette ik Sayem in Nador. Het wemelde er van Nederlands Marokkaanse jongens in handige auto’s met een Nederlands nummerbord. Ze raceten over de pleinen en stijl omhoog naar de moskee. „Hopeloos”, vond Sayem. Hij hield ze aan en zei: „Je bent hier te gast, gedraag je.” Een soort buurtvader.

In Nederland had de Tweede Kamer veertig jaar integratiebeleid als mislukt bestempeld. In Marokko sprak Sayem met succes de minister van Sociale Zaken aan op de talloze echtgenoten die geen recht hadden op pensioen als hun in Nederland werkende man zou overlijden.

Mohamed Sayem kwam eind jaren tachtig uit het Rif-gebergte naar Amsterdam om Sociaal Maatschappelijk Werk te studeren. Op de hogeschool ontmoette hij zijn streekgenoten. „We waren als een school vissen”, herinnert El Madkouri zich. „We trokken elkaar de studie door.”

Met grote ogen keken ze naar de Nederlandse studenten, die van happy hour naar happy hour leefden en tijdens een demonstratie minister van Onderwijs Deetman in zijn buik trapten. „We spraken de Nederlandse taal nog niet, maar zongen wel de actieliederen mee”, zegt Boulachioukh.

„We waren een tussengeneratie”, zegt El Madkouri. De stoottroepen van de integratie. De jongens wilden zich niet aansluiten bij de gezelligheidsclubs van hun vaders en richtten hun eigen vereniging Culturele dialoog op. Doel van een vereniging, zo schreef Sayem in zijn eerste Nederlands: „dat de leden eigen initiatief tonen!” Avondenlang spraken ze in de Blankenstraat in Amsterdam-Oost over identiteit en eigen taal. Niet over de islam, ze waren vrijgezel, dronken koffie en bier.

De laatste keer dat ik Mohamed Sayem in Berkane sprak, in 2012, richtte hij zich op de sociale onthechting van de Rif. „Migratie leidt tot individuele voorspoed”, zei hij, „maar wij blijven hier achter met een verschroeid achterland. Dat moet ik nog repareren.” Hij heeft er niet genoeg tijd voor gehad.