Zo zijn giftige geruchten over mij ontstaan

Reactie Leon de Winter vindt Badr Hari geen parel voor de samenleving. Over de geboorte van geruchten die hem achtervolgen.

Op 20 augustus 2012 schreef ik op de site van Elsevier: „Badr is een schitterende sportman – helaas één met een aantal zwaktes. Daaraan moet hij nu ‘werken’. Hij kan een parel voor de samenleving worden”.

‘Kunnen worden’ is een werkwoordsvorm die de Nederlandse variant van een irrealis is, zoals die vorm in het Latijn heet. Binnen enkele minuten na plaatsing op de Elseviersite verscheen op elke Nederlandse website het bericht: „Leon de Winter: Badr Hari is parel voor de samenleving”. Wie mijn naam en ‘Badr Hari’ googlet, vindt nog altijd talloze vermeldingen van een irrealis die is omgetoverd tot een realis.

Uit hun context gesneden quotes en hun varianten leiden op het internet hardnekkige levens. Zo hoorde ik kortgeleden van een collega-schrijver het gerucht dat ik van mening was dat alle Arabieren vergiftigd moesten worden.

Op woensdagavond 21 november 2012 hield ik bij een solidariteitsbijeenkomst met Israël in het Joods Cultureel Centrum in Buitenveldert een voordracht. Rond Gaza woedde toen een kleine oorlog.

Ik had mijn voordracht gebaseerd op de theorie van de Duitse wetenschapper Gunnar Heinsohn over geweld, zowel binnen samenlevingen als tussen samenlevingen, in relatie tot het aantal levende zonen dat een vrouw baart. Yasser Arafat beweerde ooit: „Ons belangrijkste wapen is de baarmoeder van onze vrouwen.”

Ik zei die avond: „Veertig procent van de 370 miljoen Arabieren is jonger dan vijftien; volgens Heinsohn is dat een recept voor geweld. De uitvinding van de pil heeft ertoe geleid dat we in Europa gemiddeld één zoon hebben, en die ene zoon stuur je niet de loopgraven in. Organon had de Nobelprijs voor de vrede moeten krijgen (…). De Gazanen behoren tot de snelst groeiende volken in de wereld. Er is geen hoop voor al die mensen in die zandbak. Ze zullen gefrustreerd en woedend blijven, en al hun armoede en gebrek aan levenslust en gebrek aan toekomstverwachtingen en het gebrek aan plezier en seks en lol en alles wat het leven de moeite waard maakt, aan Israël en de joden verwijten. Houdt u het volgende voor zich, anders word ik hiervoor in de media, die al zo gek op mij zijn, weer aangevallen, maar ik zeg het toch: misschien moet in het geheim een anticonceptiemiddel aan het drinkwater in Gaza worden toegevoegd.”

‘Ik wil geen anticonceptie toevoegen aan het drinkwater in Gaza’

Sarcasme – dat was mijn opmerking naar inhoud, vorm en timing. Door de inleiding naar die anticonceptieopmerking begreep de zaal precies wat ik bedoelde; als dat niet zo was geweest, hadden de toehoorders me de zaal uitgejaagd. Er werd gelachen want iedereen besefte hoe absurd de opmerking was.

De speech werd opgenomen door een verslaggever van Radio 1 die drie korte quotes uit de voordrachten selecteerde. Eén daarvan was mijn sarcastische opmerking – zonder mijn relativeringen.

Verbijsterd hoorde ik het op de radio. Direct protesteerde ik bij de NOS dat die akelig naakte quote de indruk wekte dat de anticonceptieopmerking serieus was bedoeld, en vroeg om een correctie.

De NOS corrigeerde niets.

Binnen een minuut na de uitzending explodeerde de quote op het internet. Al snel circuleerde de variant dat ik de Palestijnen wilde steriliseren. Een andere variant was dat ik alle Arabieren wilde vergiftigen. Sarcasme verkeerde in handen van Radio 1 tot een abjecte wens.

Nee, ik beschouw Badr Hari nog steeds niet als een parel van de samenleving (ofschoon ik hoop blijf houden), en hoewel ik denk dat geboortebeperking in de Arabische wereld gestimuleerd moet worden, vind ik toevoeging van anticonceptie aan drinkwater uiteraard een volkomen verwerpelijke gedachte (bespottelijk dat ik dat moet benadrukken). Zo zijn de giftige geruchten ontstaan die over mij via het internet, ook op deze pagina’s [in de column van Lamyae Aharouay 12/5], de ronde doen.