Wie topvrouwen wil, kan ze krijgen

Streefcijfer Bedrijven die extra streng voor zichzelf zijn, lukt het om meer vrouwen in de top te krijgen. Dat blijkt uit dinsdag gepresenteerde cijfers van de stichting Talent naar de Top.

Foto iStock

Op de website van stichting Talent naar de Top rollen de namen van bedrijven in gestaag tempo over het scherm. Bouwbedrijf Bam, Rijksuniversiteit Groningen, advocatenkantoor NautaDutilh, waterleidingbedrijf Vitens. Het zijn er 257 in totaal: zij hebben de afgelopen zeven jaar hun handtekening gezet onder het charter van de stichting. Daarmee hebben ze zich publiekelijk gecommitteerd aan het streven naar meer vrouwen in hun bedrijfstop.

En dat werkt. Want ze hébben ook meer vrouwen op hoge posities dan gemiddeld. Dat blijkt uit de nieuwste cijfers van Talent naar de Top, dinsdag gepubliceerd. Deels komt dat doordat deze bedrijven het charter ondertekenden omdat ze diversiteit toch al belangrijk vonden. En deels komt het doordat ze er daarna juist harder hun best voor zijn gaan doen. Want dan komt er ook eergevoel aan te pas, zegt Caroline Princen, voorzitter van de commissie Monitoring Talent naar de Top, en lid van de raad van bestuur van ABN Amro.

„De targets, de ambitie, dat doet iets, juíst bij mannen. Die willen niet onderaan een lijstje bungelen.”

Uit de cijfers blijkt dat de raden van bestuur van de charterbedrijven voor gemiddeld ruim 21 procent uit vrouwen bestaan. Bij de raden van commissarissen is dat ruim 26 procent. De cijfers van de 61 aangesloten grote vennootschappen, die dus moeten voldoen aan het wettelijke streefcijfer van 30 procent vrouwen aan de top, zijn vergelijkbaar: respectievelijk bijna 18 procent en ruim 25 procent.

Daarmee doen ze het ongeveer twee keer zo goed als gemiddeld: uit eerder onderzoek bleek dat het gemiddelde van álle 4.900 bedrijven die aan het streefcijfer moeten voldoen, nog geen 10 procent (bestuurders) en ruim 11 procent (commissarissen) is. Bedrijven die graag meer vrouwen in de top willen, bewijzen deze cijfers, kunnen die blijkbaar ook krijgen.

Niet alleen rooskleurig

De bedrijven hebben het charter vrijwillig ondertekend. Maar het is niet vrijblijvend. Ze bepalen een doel, beloven bepaalde maatregelen te treffen en rapporteren hun resultaten jaarlijks aan een commissie die de vorderingen bijhoudt en naar buiten brengt. Hebben de bedrijven hun doelstellingen niet gehaald, dan moeten ze dat uitleggen.

Dat gaat er behoorlijk streng aan toe, volgens Princen. Waar de bedrijven die onder de Wet bestuur en toezicht vallen (en die dus aan het streefcijfer van 30 procent moeten voldoen) nu nog wegkomen met wat vage zinnen in hun jaarverslag, moeten de charterbedrijven een vragenlijst beantwoorden en onderbouwen. „Ze moeten het écht laten zien”, zegt Princen. „Welke hr-tools gebruiken ze, welke trainingen bieden ze aan? We vragen echt door.”

Toch zijn de cijfers van de charterondertekenaars niet alleen maar rooskleurig. Want hoewel het aantal vrouwelijke commissarissen gestaag blijft groeien, stokt het aantal vrouwelijke bestuurders; het nam vorig jaar zelfs licht af. En hoewel 43 procent van de bedrijven een raad van bestuur had met een evenwichtige man-vrouwverdeling, had 40 procent helemáál geen vrouw in het bestuur. Ook niet gunstig: hoewel bij 57 procent van de bedrijven het aandeel vrouwen in de top toenam, daalde het bij 28 procent. Die daling is een stuk groter dan een jaar eerder (toen was het nog 17 procent). Vijf van de bedrijven die het charter hebben ondertekend, hadden zelfs geen enkele vrouw in de top (en de ‘top’ is breder dan alleen het bestuur, maar omvat ook de twee lagen daaronder).

Wet van de kleine getallen

Het is „kwetsbaar”, verklaart Princen de tegenvallende cijfers deels. Gaat het om vrouwen aan de top, dan is er nog altijd sprake van de wet van de kleine getallen. Stapt er een vrouw uit een raad van bestuur, dan zie je dat gelijk terug in de cijfers.

En daarom is het aantal vrouwen in de subtop zo belangrijk – dat is een reservoir voor toekomstige topvrouwen. Maar juist die subtop groeit de laatste jaren minder hard, blijkt uit het onderzoek. Bestond de subtop van de charterbedrijven in 2008 voor 23,6 procent uit vrouwen, vorig jaar was dat slechts 3,2 procentpunt meer. Zaten er in 2008 voor iedere vrouw in de top ruim zes vrouwen in de subtop, nu zijn dat er nog vijf. De kweekvijver is kleiner geworden.

Bij vrouwen aan de top is nog altijd sprake van de wet van de kleine getallen

Daar moet meer aandacht voor komen, vindt Princen. „Ik zie het ook bij ons, bij ABN Amro. Benoemingen aan de top zijn deels gewoon een besluit, het is commitment. Maar voor een goed gevulde kweekvijver is beleid nodig. Daar moet permanent aandacht voor zijn.” En dat is moeilijker, zegt ze, want het gaat om een grotere groep dan bij de individuele bestuursbenoemingen. „Het betekent dat niet alleen de top, maar de hele organisatie het belang moet inzien van diversiteit. Dat erop gelet wordt bij selecties en dat er bijvoorbeeld ruimte is voor vrouwen die kinderen krijgen om een stapje terug te doen en om daarna weer door te pakken in hun carrière.”

Groeit het aantal vrouwen in de top van de charterbedrijven in dit tempo door, zo becijferde Talent naar de Top, dan duurt het nog elf jaar voordat die felbegeerde 30 procent topvrouwen gehaald is. Dat zou hoe dan ook een stuk sneller zijn dan gemiddeld bij Nederlandse bedrijven – waar momenteel nog geen 10 procent van de raden van bestuur uit vrouwen bestaat.