Recensie

Voorstelling ‘Distel’ is een heilig en boosaardig requiem

De weduwe van Wolfgang komt op en een schilderij achtervolgt haar, gedragen door sluipende voeten. Dan verschijnt zoon Colt vanachter het schilderij en brandt los in een woedende tirade jegens zijn vader. Zij bevriest in haar verlies, hij draait door. Distel heet de voorstelling door Orkater, geschreven door Rob de Graaf. Die titel is symbolisch: de dode vader blijft als een distel steken in de levens van hen die hij achterliet. Het schilderij stelt zijn portret voor, een man met een peilloos droef gezicht. Op een dag verruilde hij welbewust het leven voor de dood.

Twee zonen (Jan-Paul Buijs en Mattias Van De Vijver), de weduwe (Juul Vrijdag) en de geheime minnares (Jacqueline Blom) zijn bij elkaar gekomen om het portret van Wolfgang te onthullen. Regisseur Michiel de Regt kiest voor een groteske, fysieke speelstijl. Als teken van de geestelijke impasse zet hij rolstoelen in, niet echt origineel, wel doeltreffend. Een decor van bomen omsluit de speelvloer, waarop vier muzikanten melancholieke composities van Roald van Oosten spelen. Extreem spel toont Buijs die als Colt in een ijzingwekkende scène vaderliefde verbindt met keiharde straf. De klappen klinken luidop, báf-báf. Blom onthult met sluwe zinnetjes en terloopse terzijdes de werkelijke reden van Wolfgangs zelfmoord. Ondertussen klinkt als koorzang het Kyrie en Agnus Dei. Het zijn deze wonderlijke combinaties van gedragen tekst en fysiek spel die Distel tot een bijzondere vorm van muziektheater maken. Een requiem, boosaardig en heilig tegelijk.