Column

Sloophamer

Een van mijn vrienden omschrijft zichzelf als levendig maar heeft nog niet door dat hij daarmee hysterisch bedoelt. Vanochtend hing hij aan de telefoon. „Ze gaan de hypotheekrente afschaffen! En ook de huursubsidie!” riep hij levendig.

„Rustig, rustig,” zei ik, terwijl ik mijn koffieapparaat maar weer uitzette. Hij ratelde door over het die ochtend gepubliceerde rapport Kansrijk Woonbeleid, waarin onder andere staat het huren of kopen van een woning niet langer wordt beïnvloed zou moeten worden door subsidie of hypotheekrenteaftrek.

„Nu kom ik hier nooit weg!” snikte de vriend. Met ‘hier’ bedoelde hij de schimmelende huurwoning die hij al jaren bewoont. Niet dat hij ooit iets heeft gedaan om zijn omstandigheden te verbeteren, hij is wat huisvesting betreft als veel van mijn leeftijdsgenoten: klagen is makkelijker dan op Funda gaan.

„Luister eens”, zei ik, terwijl er aan de andere kant van de lijn fanatiek werd doorgesnikt, „toen ik studeerde, heerste er enorme kamerschaarste. Ik heb zelf jarenlang een slaaphok-met-ingebouwde-keuken van twee bij drie bewoond.” Maar dat was mijn punt niet. Ik vertelde over een kennis van mij die zich bij een studentenvereniging had aangesloten in de hoop om zo in een van de corpshuizen terecht te komen, wat uiteindelijk lukte: hij kreeg een raamloos zolderkamertje van anderhalf bij twee toegewezen. Hij probeerde er het beste van te maken. Overdag schoof hij zijn luchtbed de gang op en haalde zijn stoel en tafeltje naar binnen. Zo transformeerde hij het hok dagelijks van slaapkamer naar studeerkamer en weer terug.

Toen hij er precies één jaar woonde, werd er op zijn deur geklopt. Zijn huisgenoten stonden met een grote grijns op de gang en vroegen hem even opzij te gaan.

De huisoudste liep het kamertje in en sloeg met een sloophamer de linkerslaapkamerwand aan gort. Wat bleek: de wand was van gips. Daarachter bleek al die tijd de rest te hebben gezeten: een enorme zoldersuite. Die kennis bleek een jaar in de inloopkast van zijn kamer te hebben gewoond.

„Voor mij was dat een eyeopener”, zei ik tegen de levendige vriend. Ik realiseerde me, in dat slaaphok, dat terwijl ik misschien hoopte op iemand die mijn wand kwam doorbreken, ik mijn eigen sloophamer moest zijn. Jij verwacht dat die subsidies en renteaftrek jou van je kutwoning kunnen afhelpen, terwijl je er nog niet eens gebruik van maakt.”

Het was even stil aan de andere kant van de lijn, toen barstte de vriend uit in duizend-en-een redenen waarom hij zielig is en het leven hem altijd overkomt. Ik zuchtte en hield de hoorn van me af. Wou dat ik hem kon helpen. Met die gipsplaat voor zijn kop.