Boeken

Humbert Humbert deed zijn zegje. Nu is Lolita aan de beurt

Voor het literaire theaterprogramma #Zeghet, dat woensdag 25 mei plaatsvindt in de Tolhuistuin in Amsterdam, schreef Shira Keller (1985) een monoloog voor Lolita, de ‘nimfijn’ uit Vladimir Nabokovs gelijknamige roman. ‘Hierna is het over, word ik onzichtbaar. [..] Ik ben hier om mezelf onklaar te maken.’

Freakshows. Ken je wel, toch? Mensen in kooien. Mismaakten. De genante foutjes van de natuur. Lilliputters, vrouwen met baarden, aapachtige mensen vol met haar overal – freakshows, zo noemden ze dat, een soort dierentuin. Kon je een kaartje kopen, kon je gaan staan beseffen hoe normaal je zelf eigenlijk was. Nou, zo voel ik me nu een beetje, als zo’n lilliputter in zo’n kooi. Zo’n aap.

Het gaat goed. Willen ze altijd weten. Prima. Gelukkig. Zwanger, weer. Ben niet dood. Getrouwd en zo. Dick is echt een schat, echt een heel lieve jongen, voor Dick is de liefde zoiets als een goed bord eten. Daar was ik naar op zoek, naar zo’n man. Hij doet iets in de mijnen, iets gespecialiseerds, daarom gaan we naar Alaska verhuizen, daar heeft hij een baan aangeboden gekregen, ik kan niet wachten, hij is heel goed met zijn handen. Ik heb geen vat op Dick, weet je. Ik zou hem nooit kapot kunnen maken.

Schermafbeelding 2016-05-24 om 11.36.33

Vroeger, als ik bij mijn moeder in de auto zat, zat ik altijd kilometerpaaltjes te kijken, je weet wel, die paaltjes langs de weg. Als die dan van een getal met allemaal negens naar een getal met allemaal nullen sprongen dacht ik: je hoeft de auto maar in z’n achteruit te zetten en de negens komen weer terug.

Hoe is het voor jullie eigenlijk, dit? Voel je niet bezwaard hoor, ben hier zelf gaan zitten, jullie hebben ook gewoon een kaartje gekocht en zo. Vandaag ben ik jullie – jullie aap, jullie freak. ‘Pas op hij bijt.’ Nee, serieus, blijf maar een beetje op afstand, ik ben zo iemand die je beter een beetje op afstand kunt houden.

Ze deden ooit een próef met een aap, ken je die? Ken je die proef? Met die tekening? Had een papier, gaven ze een houtskoolpotlood, kreeg een elektroshock als ‘ie het potlood weggooide, dzz dzz dzz, de hele dag door. Net zolang tot dat beest begreep wat ze van hem wilden en een houtskooltekening maakte, serieus. Weet je wat hij tekende? Wat dat hemelbewegende kunstwerk voorstelde? Die aap maakte een perfecte houtskooltekening, natuurgetrouw en alles, van de spijlen van z’n kooi.

Nou, zo voel ik me nu een beetje, als zo’n lilliputter in zo’n kooi. Zo’n aap.

Het is niet dat ik graag in de belangstelling sta, dat is niet waarom ik hier ben, niet dat je dat denkt, ik word niet geil van jullie blikken. Vroeger wilde ik actrice worden, stel je voor.

Word er misselijk van, tegenwoordig, van dat spel, het spelen. Letterlijk. Moet ik overgeven. Ik was te goed weet je, je kan ergens te goed in zijn. Ik won altijd. Ik wil niet meer winnen. Walg van het gemak waarmee dat ging, ik wil alleen nog maar - iets echts, of zo. Hoe zeg je dat. Dick. Bijvoorbeeld. Dick is echt.

Ik wil vertellen hoe het werkelijk is gegaan, daarom ben ik hier, om – gewoon, dat het niet als leugen eindigt, alles. Schone lei, weet ik veel. ‘Werkelijk.’ Míjn spijlen. Zeg maar.

Alaska is ver weg, weet je. Hierna is het over, word ik onzichtbaar, het zal zijn of ik er nooit ben geweest. Weggegumd, onschadelijk. Ja. Ik ben hier om mezelf onklaar te maken, zoiets.

Er is een foto van mij, ik denk dat ik een jaar of vier ben, drie, en ik zit in zo’n plastic opblaaszwembadje in de tuin, brede lach, alles breed, armen gespreid - benen gespreid. Naakt.

Mama kon glimlachend door dat album bladeren, geen krimp bij die foto, ik kan er niet naar kijken. Ik zou dat kind een klap in haar gezicht willen geven. Als je twaalf bent, ben je geen kind meer.

Mensen vergeten dat. Toen Humbert kwam was ik geen kind meer. Waarom vergeet iedereen dat? De haast die je had? Misschien onthouden we alleen wat ons uitkomt. ’s Avonds stond ik met m’n vingers in m’n onderbroek m’n poster van Paul Newman te kussen, met open mond. Veegde het speeksel eraf met m’n mouw. Zat op een gegeven moment een gat in, heb ik hem maar weggedaan.

lolita1

Op je twaalfde speel je poker met open kaarten, je weet wel, zo’n potje om de regels uit te leggen. Dat het niet uitmaakt als je verliest, zo’n voor-spek-en-bonen-potje, terwijl je allang - mijn god wat hunkerde ik naar – naar gevaar, iets fataals, of zo? Iets waar iets bij op het spel stond. Zoals in films. Iets wat ertoe deed. Iets wat zou maken dat ik ertoe deed. Iets waar je dood aan kon gaan.

Ik was de spin, dat is eigenlijk alles wat ik wil zeggen, nou voila daar heb je het. Humbert het insect. Die nymfettes van hem, die wilden hem. Wij zijn het die de webben maken. Het is de kunst het zo te spelen dat ze denken dat zij de jager zijn, dat zijn ze graag, we laten ze in die waan, dat is alles.

Je herkent ze direct. Misschien is dat een gave, kan niet iedereen dat, geen idee, ik hoef niet eens een woord met iemand te wisselen om te zien of het er één is, of ik een kans maak. Ik ruik het. Het tintelt.

Natuurlijke autoriteit, tikje ijdel. Kwetsbaar. Zelfverachting. Verborgen verlangens, schaamte daarover natuurlijk, hunkert naar iets wat nog niet is besmet, iets zuivers om z’n eigen vunzigheid mee weg te wassen. Als de dood, let op dat is de crux, voor de dood. Ze zitten hier ook. Het zijn er twee. Alle mannen zijn kinderen.

Ik keek het af van de films, denk ik, van de actrices. Hoe je iemand aan moest kijken zodat hij rood werd, wegkeek, aan zijn horloge ging zitten frunniken. Ik oefende op hem, had niks te verliezen. Niet dat ik dacht dat hij ook echt – echt niet.

Mannenschouders, after shave, sterke grote zachte handen ik stelde me die handen voor, ’s nachts - Mama was weg, zondag, kerk, ik ging op zijn schoot zitten, onnozel, draaierig, giebelend, Lolita de baby, pakte zijn krant af. Lachte zoals kleine kinderen lachen, voelde ondertussen hoe mijn onderbroek zijn broek raakte, hij voelde dat ook, moet dat ook gevoeld hebben.

Stoeien om de krant, niets aan de hand, een kind en haar vader, stiefvader.
Liet hem los, de krant en hem, sprong op, naar mijn kamer. Niks aan de hand.
Hij moest het doen. Ik was niet achterlijk. Een spin verroert zich niet tot zijn prooi zichzelf - ik moest wachten tot híj iets deed.

Het is de kunst het zo te spelen dat ze denken dat zij de jager zijn

Avondeten, paar dagen later. Mama praten, blablabla, ik naar hem kijken. Die blik weer, actriceblik, hij wegkijken, frummelen aan de placemat, ik grijnzen. Mama naar de keuken, afruimen, babbelend over weet ik veel, een programma op televisie of zo.
Ik sta op loop weg hij pakt me bij mijn pols. Niet voorzien, echt niet. Draai me om.

Trekt me naar zich toe. Zijn duim wrijft over mijn arm, waterige ogen. Kijkt niet weg. Kort, vluchtig: zijn hand op mijn dij, elektroshock geen adem. Hij laat me los, staat op, klopje op broek, keel schrapen, mama terug de kamer in, hij: ergens mee helpen?, nee schat ik doe het wel, blijf maar lekker zitten, alles tintelt, alles tintelt, mama zo blind als een pier terug de keuken in. Hij staat op, kucht, via de andere kant van de tafel mama achterna, grist iets van tafel om die loop te verantwoorden, mijn ogen branden schroeiplekken in zijn rug.

220px-Lolita_1955

Dat is waar de film zou zijn geëindigd. Ik had beet, hoefde alleen nog maar – als het een film was, was dit een happy end geweest. Je denkt dat het daar begint. In ‘werkelijkheid’ is dat waar het eindigt. Laten we mijn moeder inderdaad maar verongelukken, doet er ook niet toe voor het verhaal. Paf, auto, dood.

Naar een hotel. Receptioniste die me raar aankijkt. Ze zag het, natuurlijk, die mensen waren niet gek. Kamernummer 342, weet ik nog. Gedoe met de sleutel.
Hij,nerveuzig: zullen we ons meteen maar uitkleden? Had het me anders voorgesteld, de liefde. Het deed pijn. Kon niet stoppen met nadenken. Een tong. Een arm. Een been. Koud. Elleboog op mijn haren. Gekraak van het bed, warm weeïg gehijg, jeuk, overal jeuk.

Dan: hotel na hotel na hotel na hotel. Overal receptionistes met opgetrokken wenkbrauwen. Dunne lippen. En intussen bewoog de wereld zich langs me heen, haalde me in, ik miste de aansluiting, weet je, ik was een volwassen vrouw en ik was een kleuter, ik was alles wat ik niet hoorde te zijn.

Nou en op een dag besloten we ermee op te houden, niets dramatisch verder. Geen ontvoering of zo. We verveelden elkaar, dat was alles. Hadden niks om over te praten. Geen Quilty natuurlijk, je weet wel, die rare kwast in z’n boek, die bestaat niet, allicht. Of het waren er een heleboel, wat je wil. Ik wierp me in hun armen, soms liet ik ze ervoor betalen, als dat hen opwond. Psychiaters, schrijvers, politici. De een nog beroemder dan de ander. Machtige bange hongerige mannen. Hield nooit lang stand. Kreeg genoeg van ze of zij van mij, namen ze een nieuwe, of gingen terug naar hun vrouw. Niets raakte me echt. Soms miste ik mama.

En toen was daar Dick. Hij hielp me met het wisselen van een autoband. Hij stotterde. Zo schattig. Ik voelde niks. Hij ook niet. Er tintelde niks. Hij durfde me niet eens aan te kijken, de lieverd. Toen de band gemonteerd was vroeg ik of hij met me wilde trouwen. Dat is nu tweeënhalf jaar geleden. En nu ben ik hier. Gaan we naar Alaska.

Soms stel ik me voor dat het kan, dat het allemaal een film is, die je terug kunt spoelen. Ik zit in de auto, naast Dick, op de snelweg.

Kilometerpaaltje 10.000, we stoppen.

Zetten hem in z’n achteruit.

We rijden en terwijl we rijden draait de wijzer van de kilometerteller de andere kant op.

We rijden achteruit tot waar we de auto in stapten, maar we stoppen niet, we rijden verder. Helemaal terug naar waar we nog niet getrouwd zijn, we elkaar nog niet kennen.

Al die Quilty’s langs, in motels, op verlaten parkeerterreinen, in hun villa’s, pied-à-terres.

Naar Humbert, langs al die eindeloze dagen dat we verstopt, als onderduikers, het land doorkruisen, kilometer na kilometer na kilometer, helemaal terug – naar huis.

Lawn Street.

De blaffende hond van de buren.

Waar mama opstaat van het asfalt, wat bloed van zich afschudt en achteruit het huis in rent.

Achterstevoren verlaat Humbert onze woning, reist in een omgekeerd vliegtuig naar Europa. Ik veeg een poster nat en kus Paul Newman.

Ik zit in een opblaaszwembad, lach mijn breedste lach, iemand maakt een foto.

Mijn moeder, op de sofa, puft en hijgt, perst me haar buik in.

En haar moeder haar.

En haar moeder haar.

En overal worden baby’s buiken in geperst, de een na de ander, floep floep floep.

Tot er nog maar twee over zijn, ze zijn naakt, voelen zich naakt.

En hij geeft een appel aan haar.

En zij hangt hem in een boom.

En een slang trekt zich achterwaarts terug in de struiken.

En ze zijn zich niet meer bewust van - als kinderen.

En zij verschrompelt.

En verdwijnt, in zijn rib, doet er niet toe, weggegumd. Ze is er nooit geweest. En hij is alleen.

En alles was goed.

Het literaire theaterprogramma #Zeghet wordt georganiseerd door Paradiso in samenwerking met de Anna Bijnsstichting. Het evenement vindt woensdagavond 25 mei plaats in Paradiso Noord, Tolhuistuin.